Digibetisme en analfabetisme is moderne dreigende maatschappelijke misstand.

Geplaatst op maandag 7 mei 2007

Bij het opstellen van het coalitieakkoord is benadrukt dat het stadsbestuur bij het investeren in dienstverlening rekening houdt met ‘digibeten’ en analfabeten. Dat is niet zo eenvoudig als het korte zinnetje lijkt uit te stralen. Digibetisme en analfabetisme vind ik een moderne dreigende maatschappelijke misstand die zeker door liberalen met kracht dient te worden bestreden.

Het gemeentebestuur van Delft hanteert Delft Kennisstad als leidende stadstrategie. De verdere ontwikkeling van digitale dienstverlening maakt daar deel van uit. Belangrijke vraag is of alle Delftse burgers genoeg toegang hebben tot de digitale dienstverlening om er wat mee te kunnen. Dat antwoord is niet vanzelfsprekend een “ja”.

Voor liberalen is het constateren van maatschappelijke ongelijkheid het sein om te gaan nadenken. Wij vinden immers dat sociale rechtvaardigheid bevorderd moet worden. Daarmee scheppen wij gelijke kansen voor iedereen. Eventueel verleent de overheid bijstand. Niet iedereen heeft dezelfde mogelijkheden. Maar gelijke ontwikkelings- en ontplooiingkansen zijn een krachtig liberaal verlangen. Liberalen willen ongelijkheid zoveel mogelijk opheffen. Het waren bijvoorbeeld de liberalen die destijds begonnen met de bouw van sociale wetgeving.

Een onderzoek van professor Jan van Dijk van de TU Twente uit 2003 toont aan dat ongelijkheid in de toegang tot ICT niet losstaat van andere maatschappelijke ongelijkheden. Als de ongelijkheid in de samenleving in sociaal, economisch en cultureel opzicht toeneemt, dan geldt dit ook voor ongelijkheid in de toegang tot ICT. Beleid dat deze specifieke vorm van ongelijkheid wil bestrijden, moet zich op meer richten dan alleen de toegang tot en het bezit van ICT. Bestrijding van ongelijkheid in de informatie- en netwerksamenleving moet zich ook richten op vaardigheden en het gebruik van ICT. Bovendien moet dat beleid ingezet worden in alle maatschappelijke terreinen.

De maatschappelijke discussie over de digitale kloof wordt gedomineerd door de focus op het ICT-bezit en de ‘operationele vaardigheden’. Het is echter meer zaak een onderscheid te maken tussen motivatie, bezit, vaardigheid (operationele, informatie en strategische) en gebruik. Een andere belangrijke conclusie van Jan van Dijk is dat het niet in de eerste plaats de bekende sociologische persoonsvariabelen zijn zoals inkomen, opleiding, sekse, leeftijd, beroep en etniciteit die de toegang tot ICT bepalen. Toegang tot ICT wordt ook bepaald door de positie die iemand inneemt in verschillende netwerken van arbeid, onderwijs en sociaal verkeer. ICT-kennis doe je namelijk op in allerlei specifieke praktijksituaties: op het werk, op school en omdat vrienden en familie het wel of niet gebruiken.

Op afzienbare termijn zal de overgrote meerderheid van de bevolking een computer en internetverbinding hebben. Jan van Dijkt stelt echter dat dat dus niet betekent dat de digitale kloof gedicht is. De kloof zal er een worden tussen mensen die ICT en informatie kunnen inzetten voor het verbeteren van de eigen positie, en mensen die dat niet kunnen.

De verschillen in het gebruik zullen eerder toenemen dan afnemen. Dat heeft te maken met het gegeven dat er verschillende niveaus van toepassingen zijn (van simpel gebruik als spelletjes en e-mail tot zeer complexe toepassingen om informatie te vergelijken). De ‘gebruikskloof’ zal ook groter worden door de verschillen in prijzen van hardware en software. Het zwaartepunt van de problemen van toegang tot ICT verschuift dus van ‘motivatie en bezit’ naar ‘vaardigheden en gebruik’.

Tenslotte haalt Jan van Dijk aan dat het verbonden zijn aan verschillende netwerken is belangrijker is dan het hebben van een bepaalde opleiding, cognitieve vaardigheden of andere individuele eigenschappen. Het daadwerkelijk ‘bezitten’ van ICT hangt nog steeds samen met sociale klasse: inkomen en opleiding - de zogenaamde ‘oude’ ongelijkheden. De nieuwe ongelijkheden hebben alles te maken met waar je strategische - en informatievaardigheden inzet. Het aantal netwerken waar iemand ICT en informatie gebruikt is ook bepalend voor voorsprong of achterstand. Hoe meer netwerken van arbeid, opleiding, markten en sociaal verkeer je hebt, hoe groter je voorsprong in de informatie- en netwerkmaatschappij zal zijn.

Digibetisme en analfabetisme vind ik een moderne dreigende maatschappelijke misstand die zeker door liberalen met kracht dient te worden bestreden. Dat betekent voor lokaal beleid dat ICT nog meer geïntegreerd zou moeten worden in andere beleidsterreinen. Als het dan inderdaad zo is dat de digitale kloof langs bestaande lijnen van maatschappelijke ongelijkheid loopt en mogelijkerwijs groter kan worden, zal het ICT-achterstandsbeleid deel moeten uitmaken van een breder beleid dat gericht is op achterstandsgroepen. Alleen op deze manier kan voorkomen worden dat in de informatie- of netwerksamenleving nieuwe - of grotere - maatschappelijke ongelijkheden ontstaan.

Voeg toe aan Delicious Voeg toe aan Facebook Voeg toe aan Google bookmarks Voeg toe aan Linked In Voeg toe aan NUjij Voeg toe aan Technorati Voeg toe aan Twitter 
© 2012 VVD Delft  |  Colofon  |  RSS | Sitemap