Homoseksueel in Delft
Geplaatst op zondag 1 juni 2008
Lustrumlezing van de DWH over liberale noties in politiek-maatschappelijke ontwikkelingen in het Delfts homobeleid, uitgesproken op 1 juni 2008.
Onder leiding van voorzitter Rob Vermeer van de Delftse Werkgroep Homoseksualiteit spraken voorzitter Frank van Dalen van het COC en ik met elkaar over de rol van de overheid in het homobeleid. Rob Vermeer wijst er op dat er in Delft tussen de 7.500 en 10.000 homoseksuelen wonen, een groep om rekening mee te houden. De discussie spitste zich uiteindelijk echt toe op het politieke argument dat voor homobeleid uiteindelijk geen plaats is omdat het enerzijds deel uitmaakt van het emancipatiebeleid en anderzijds omdat de politiek zich zegt te richten op burgers in het algemeen en niet op bijzondere doelgroepen. Frank van Dalen was het met dat standpunt volstrekt niet eens en pleitte met kracht voor politieke aandacht voor homoseksuelen, zeker nu de acceptatie van homoseksuelen in Nederland lijkt af te nemen.
Frank van Dalen wees op de koploperovereenkomsten van minister Plasterk. Op 5 maart hebben de wethouders van de vier grote steden in Nederland en Minister Plasterk een koploper overeenkomst ondertekend om de sociale acceptatie van homoseksualiteit onder de Nederlandse bevolking te bevorderen. Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Máxima der Nederlanden was hierbij aanwezig. De koploperovereenkomst richt zich met name op samenwerken, ervaringen uitwisselen, gezamenlijk knelpunten oplossen, maar ook kennis bundelen en deze delen met andere gemeenten. De inspanningen van het ministerie van OCW en de vier grote steden moeten in 2011 hebben bijgedragen aan het bespreekbaar maken van het onderwerp onder jongeren en in kringen waar het nog een taboe is. Verder moet het bijdragen aan het vergroten van het veiligheidsgevoel van homoseksuelen en lesbiennes in hun naaste omgeving. Ook gaan de betrokken partijen discriminatie, intimidatie en geweld tegen homoseksuelen krachtig bestrijden. De koploperovereenkomst is een resultaat van de nota “Gewoon homo zijn” waarin het landelijk lesbisch- en homo-emancipatiebeleid van 2008 tot en met 2011 wordt beschreven. Frank van Dalen wijst er op dat de minister de mogelijkheid van koploperovereenkomsten ook voor andere steden heeft opengesteld, dat hierover substantiële financiële middelen beschikbaar zijn en adviseert Delft om hierover contact op te nemen met het ministerie van OCW. Ik heb de DWH toegezegd deze mogelijkheid onder aandacht van wethouder Bolten van Emancipatie te brengen.
Vanuit mijn portefeuille Economische Zaken heb ik toegezegd om binnen het kader van het Delftse Emancipatie- en homobeleid de uitdaging te willen aangaan om een convenant te sluiten met DWH, MKB-Nederland, VNO-NCW en de KvK om gelijke kansen en wederzijds respect op de werkvloer te bevorderen. Ik denk dan aan het bespreekbaar maken van de problematiek van discrimatie bij sollicatieprocedures, pesterijen op de werkvloer, en holebi onvriendelijke machoculturen in organisaties. Dit convenant zou in het najaar aan de leden van de DWH aangeboden kunnen worden.
Dames, heren,
Laat ik beginnen met een woord van dank aan u voor de bijzondere uitnodiging hier met u te mogen spreken. Ook wil ik u van harte feliciteren met uw 40-jarig bestaan als onafhankelijke homovereniging. Een lustrum is altijd een goed moment om eens bij de geschiedenis, het heden en de toekomst stil te staan, bezinning dus. U doet dat bezinnen met een serie lustrumlezingen en een maatschappelijk debat, een prachtig initiatief en een goede manier om aandacht op te eisen voor uw zaak.
U hebt als DWH in 1968 gekozen een ontmoetingsplek voor homo- en biseksuele mannen en vrouwen van alle leeftijden te zijn. Een ontmoetingsplek met als doel de acceptatie van homoseksualiteit in de samenleving te vergroten en te handhaven. Vanuit dat inmiddels historisch vertrekpunt wil ik met u anno 2008 ingaan op enkele lokale politieke en bestuurlijke ontwikkelingen.
Eerst iets over mij zelf. Mijn naam is Ronald Vuijk en ben vader van een dochtertje van 7 en een zoontje van 3. In 2000 ben ik in Delft komen wonen en politiek actief geworden voor de lokale VVD. In 2002 werd ik fractievoorzitter, in 2005 wethouder en in 2006 was ik lijsttrekker, korte tijd opnieuw fractievoorzitter en daarna opnieuw wethouder in college samengesteld uit leden van de PvdA, VVD, Groenlinks en STIP. De standpunten die ik inneem laten zich veelal verklaren door mijn opleiding als bestuurs- en staatsrechtjurist en bestuurswetenschapper in Groningen, door het aangesloten zijn bij de VVD en de politieke grenzen van het coalitieprogramma. Dit betekent zeer zeker dat ik vanmiddag de lokale politieke en bestuurlijke ontwikkelingen zal inkleuren vanuit een liberale achtergrond.
Wat betekent voor mij die liberale achtergrond? Vrijheid is volgens liberalen een onmisbare voorwaarde voor zelfontplooiing. Zelf ben ik van mening dat de liberale vrijheid geen ongelimiteerde vrijheid kan zijn en dat het de eigen verantwoordelijkheid is die de grenzen stelt aan die vrijheid. In het denken over de liberale beginselen staat voor mij de mens zelf centraal, de mens die de mogelijkheid heeft zich met besef van zijn verantwoordelijkheid voor anderen, de gemeenschap en de omgeving waarin de mens leeft, te ontplooien naar eigen aard, aanleg en levensovertuiging. Aangezien de mens leeft in een gemeenschap van gelijkwaardige medeburgers, heeft hij de bereidheid anderen te nemen zoals zij zijn en waar mogelijk met hen samen te werken ten behoeve van de samenleving. De zelfontplooiing krijgt gestalte in een democratische rechtstaat, door onderwijs, arbeid en ondernemerschap in een markteconomie en een internationale rechtsorde waarin de rechten van de mens worden geëerbiedigd. De overheid beschermt de vrijheid van haar burgers en de voorwaarden daarvoor. Deze achtergrond betekent bijvoorbeeld dat liberalen volledig accepteren dat homoseksuelen trouwen, kinderen adopteren en hand in hand over straat lopen. Ook maken liberalen geen onderscheid tussen homo-zijn en homo-doen! Juist dat maakt dus politiek het verschil. Voor u geruststellend te weten dat in de Delftse politieke situatie er op dit punt in ruime meerderheid een liberale visie is.
Hoe kijkt de lokale politiek tegen homoseksualiteit aan? In de lokale programma’s van politieke partijen treft u niet veel over homoseksualiteit aan. Dat geldt ook voor het liberale partijprogramma. Dat is een bewuste keuze en heeft alles te maken met het scherp afwijzen van een kijk op de maatschappij als zou die bestaan uit specifieke doelgroepen. Alle burgers zijn immers gelijk! Het geeft geen pas de ene doelgroep meer aandacht te geven dan de andere. Een meer praktische redenering wijst uit dat het benoemen van een specifieke doelgroep onmiddellijk tot gevolg heeft dat ontelbare andere doelgroepen zich bij de politieke partijen en de overheid melden om ook meer aandacht te vragen. Aandacht voor specifieke doelgroepen leidt vaak tot fikse politieke boosheid bij die doelgroepen die dan niet met name genoemd worden. Ik geef daarom geen voorbeelden van andere doelgroepen!
Toch heeft de lokale politiek in Delft onlangs een statement over homobeleid afgegeven. Dat gebeurde met een motie van D66 na een voorstel van het college van burgemeester en wethouders over een impuls voor het emancipatiebeleid. In het college is wethouder Bolten van Groenlinks benoemd tot voorvechter voor gelijke rechten, kansen en vrijheden voor vrouwen en mannen. Daarbij wordt nadrukkelijk gewezen naar economische zelfstandigheid, maatschappelijke participatie, bewustwording en empowerment. Die impuls voor emancipatiebeleid heeft geleid tot een aanvullende nota over homo-emancipatie omdat landelijk duidelijk is geworden dat acceptatie van homoseksualiteit zeker geen gelopen race is en handhaving van het gelijkheidsbeginsel aan de overheid is opgedragen door artikel 1 van de Grondwet. Dat betekent concreet dat meer aandacht nodig is voor veiligheid en bevorderen van een homovriendelijk klimaat in de openbare ruimte, scholen, arbeidsorganisaties en sportverenigingen. (zie rapport SCP) Het college van burgemeester en wethouders ziet het homobeleid als een onderdeel van het emancipatiebeleid.
Emancipatie, integratie en acceptatie. Een korte bespreking van deze begrippen lijkt op zijn plaats. Integratie zien wij als het gelijkwaardig opnemen van een bevolkingsgroep in de maatschappij. Emancipatie zien wij als de bevrijding van wettelijke, sociale, politieke, morele en intellectuele beperkingen alsmede toekenning van gelijke rechten en gelijkstelling voor de wet. Emancipatie heeft daarnaast ook iets te maken met bewustwording en zichtbaarheid, je mag er wezen en gezien worden, wie je ook bent: als man of vrouw, als autochtoon of allochtoon, als jongere of oudere, als homo- of heteroseksueel. Dit betekent voor mij dat meer zichtbaarheid van homoseksualiteit in het dagelijks leven kan bijdragen aan meer acceptatie en integratie in het sociale leven. U ziet deze redenering terug in de uitwerking van het emancipatie- en homobeleid van Delft.
U hebt in oktober 2007 een politiek-maatschappelijke nota over homoseksualiteit opgesteld. Een nota die zich in snel tempo tot een standaard laat verheffen. Ook voor het Delftse beleid is intensief uit deze nota geput. De kern van de homoseksuele problematiek laat zich in uw nota omschrijven als “De algemene veronderstelling is dat mensen een heteroseksuele voorkeur hebben. Het is dan aan homoseksuelen om te bepalen of zij open willen zijn over hun seksuele voorkeur. Zij bepalen in de regel zelf wanneer ze hun voorkeur prijsgeven en op welke manier. Naar blijkt hebben zij volop redenen hun seksuele voorkeur verborgen te houden.”
Homobeleid van de Delftse overheid. Homo emancipatiewas gedurende lange tijd geen bijzonder issue in het gemeentelijk beleid. Hoewel Delft tot in de jaren “80 veel aandacht besteedde aan het thema, is het de laatste tijd bijna ongemerkt van de agenda verdwenen. Het beleid beperkte zich tot een bescheiden financiële bijdrage aan de DWH en incidentele initiatieven. Daarbij denk ik aan Seksuele voorlichting & preventie SOA van GGD en JIP; Week van de Liefde van JIP; het niet toestaan van weigerambtenaren bij homohuwelijken en ondersteuning van het COC songfestival. En ook dat in de regionale huisvestingsverordening het begrip “huishouding” nu zo omschreven is dat er geen discriminatie kan plaatsvinden van stellen van hetzelfde geslacht. Delft sluit zich met het homobeleid aan bij het rijksbeleid door het willen bevorderen van de sociale acceptatie van homoseksuelen. Anders gezegd: “Vanuit het homobeleid is emancipatie pas geslaagd als homo’s hun seksuele voorkeur niet hoeven te verbergen en daar vervolgens ook geen nadelen van ondervinden”. Een voor u herkenbare doelstelling! Delft onderneemt actie door het (1)bespreekbaar maken van homoseksualiteit, (2)aandacht voor veiligheid, (3) zichtbaarheid van de roze cultuur en (4)aandacht voor de homoseksuele oudere.
Ik licht er enkele opvallende elementen uit. Een deel van de aandacht voor het bespreekbaar maken van homoseksualiteit richt zich op migrantenorganisaties omdat juist onder allochtone Nederlanders de acceptatie van homoseksualiteit nog lang geen vanzelfsprekendheid is. Juist allochtone jongeren ervaren meer dan gemiddeld problemen met hun coming-out. Homoseksuelen worden aangemoedigd melding of aangifte te doen van bedreiging en geweld. Het kabinet heeft toegezegd een goede registratie van geweld tegen homoseksuelen tot stand te brengen, de gemeente wil hier lokaal aan meewerken. Cultuur wordt gezien als een middel bij uitstek om zichtbaarheid te vergroten. De gemeente zal een roze evenement als onderdeel van de Roze Cultuur in Delft warmhartig begroeten, en zal het DWH jubileum ondersteunen. Homeseksuele alleenstaande ouderen ondervinden meer dan gemiddeld gevoelens van eenzaamheid en onzichtbaarheid. Het trainen van personeel in de zorg, het inrichten van woongroepen en het organiseren van ontmoetingen zijn oplossingen die gezamenlijk met de DWH kunnen worden uitgewerkt.
Handreiking voor dit najaar. Vanuit mijn portefeuille Economische Zaken zou ik met u de uitdaging willen aangaan om een convenant te sluiten met DWH, MKB-Nederland, VNO-NCW en de KvK om gelijke kansen en wederzijds respect op de werkvloer te bevorderen. Ik denk dan aan het bespreekbaar maken van de problematiek van discrimatie bij sollicatieprocedures, pesterijen op de werkvloer, en holebi onvriendelijke machoculturen in organisaties. Dit convenant zou in het najaar aangeboden kunnen worden.
Dank voor uw aandacht.
Delft, 1 juni 2008
Ronald Vuijk