Ronald Vuijk

Met groot enthousiasme stel ik mij voor de VVD als volksvertegenwoordiger beschikbaar voor de verkiezingen van de Tweede Kamer van 2010

Mijn naam is Ronald Vuijk, en 44 jaar geleden geboren in de Wognumstraat in Den Haag. Sinds 2000 woon ik in Delft en ben politiek actief geworden voor de VVD. In Groningen studeerde ik van 1988 tot 1994 Nederlands recht en juridische bestuurswetenschappen. Myrna en ik zijn samen de trotse ouders van dochter Jeanna (9) en zoon Jens (5).

In mijn vrije tijd lees ik graag een boek en ben actief in het bestuur van de Bob- en Slee Bond Nederland. Vanuit mijn Groningse studententijd heb ik door GSR Aegir nog steeds een zwak voor het nationale toproeien. De Head, de Oude Vier op de Varsity, De Bosbaan, Hollandia en de Koninklijke roepen en trekken nog steeds.

Politiek actief werd ik om mee te praten en mee te beslissen over maatschappelijke problemen. Nederland is een land waarin het comfortabel leven is, en dat moet zo blijven. De juridificering van de maatschappij is echter zo gegroeid dat de overheid de burger eerder belemmert in plaats van vrij laat en vertrouwen geeft. De overheid beschrijft niet alleen wat er moet gebeuren maar tot in detail ook hoe dat moet gebeuren. Bedrijvigheid en innovatie worden daardoor afgeremd. Vernieuwing komt niet dankzij, maar ondanks de betuttelende overheid tot stand. Mensen zoeken naar wegen om onder regels uit te komen, zelfs de overheid doet dat en noemt dat gedogen. De regering hoort stimulerende kaders en transparante randvoorwaarden te stellen.

Daarnaast werd ik ook politiek actief om mee te praten en mee te beslissen over maatschappelijke oplossingen. De liberale uitgangspunten vormen voor mij de basis. Bolkestein is mijn voorbeeld. De op inhoud gedreven wijze waarop hij de partij aanvoerde spreekt mij zeer aan. De assertieve en zelfbewuste wijze waarop ik Rutte zich nu als politiek aanvoerder zie ontwikkelen als ook de woorden die ik hem hoor spreken bevestigt mij in mijn veronderstelling dat inhoud en landsbelang de juiste basis is voor het politieke handelen als VVD. Dat is de werkwijze waarin ik mij herken, mij thuis voel en waarvoor ik mij wil inzetten. Als liberaal herken ik mijzelf meer in het ontplooiingsliberalisme en het sociaalliberalisme dan in het klassieke liberalisme en het gedachtegoed van het utilitarisme. Hoewel het onderscheid niet vlijmscherp is: ik sta voor klassieke liberale thema s als een compacte overheid, lage belastingen en weinig regels als ook voor meer sociale thema s die redenerend vanuit de positieve vrijheid opkomen voor sociale voorzieningen voor zij die aan het kortste eind trekken en goed onderwijs voor onze kinderen. Ik sta daardoor voor  een actieve rol voor de staat om te zorgen dat individuen tot ontplooiing komen en ook voor actief burgerschap in bijvoorbeeld verenigingen, clubs of internationale hulporganisaties. Liberalisme is voor mij niet ieder voor zich . Als politicus en volksvertegenwoordiger ben ik geen intellectueel maar een realist, vooral het politieke resultaat telt. Politiek bedrijven is vooral ook hard werken.

Het lijstje grote politieke thema s van Bolkestein van 2004 raakte mij en is nog steeds actueel: de rechtstaat (terrorisme, criminaliteit, rechtszekerheid, privacy); de sociaaleconomische toestand (arbeidsparticipatie, productiviteit, groei van de economie); een uitgebreide Europese Unie (de lotsverbondenheid van Nederlanders met de EU); de afhankelijkheid van energiebronnen van buiten de Unie; immigratie en moeizame integratie; en de demografische crisis (vergrijzing, daling van de economische groei en van de productiviteit). Dit lijstje is herkenbaar in de huidige VVD-thema s Veiligheid, Bereikbaarheid en Economie. Ik wil vanuit de VVD met die kaders en randvoorwaarden mensen zelf de ruimte geven om keuzes te maken. Te beginnen met minder regels.

In 2002 ben ik voor de VVD Delft in de gemeenteraad gekozen en volgde in het najaar van 2002 Wil Steffen op als fractievoorzitter. In 2005 volgde ik Christiaan Baljé op als wethouder. In 2006 nam ik als lijsttrekker deel aan de verkiezingen, aansluitend volgde de herbenoeming als wethouder in een college met PvdA, Groenlinks en STIP (Lokale studentenpartij). Als wethouder ben ik verantwoordelijk voor de portefeuille Kennisstad & Economie, Dienstverlening, Vastgoed & Grondzaken, ICT, Huisvesting en de projecten Science Park Technopolis, Harnaschpolder en Schie-oevers. Daarnaast worden bestuurlijke en politieke  nevenfuncties vervuld. In 2006 schreef ik mee aan het programma voor de VVD in de provincie Zuid-Holland.

Naast overtuigd liberaal ben ik ook overtuigd democraat. Lokaal, regionaal en provinciaal zie ik hoe de sociaaldemocraten en de leefbaren met democratie omgaan.  Namelijk dat sociaaldemocraten weten wat goed voor de burger is , socialisten zijn bemoeials en de leefbaren wantrouwen het huidige politieke systeem zo dat samenwerken met zij die dat systeem verpersoonlijken per definitie onmogelijk is. Dat maakt voor mij duidelijk dat democratie naast aangehangen, ook met hart en ziel verdedigd moet worden. In de dagelijkse politieke praktijk  betekent dat resultaten behalen. In Delft heb ik bijvoorbeeld daarvoor als wethouder het wekelijks spreekuur voor burgers ingesteld. Ook de zondagsopening van winkels in heel Delft is in mijn periode tot stand gekomen. In Delft spelen enkele dossiers met nationale impact zoals de A4 en de ondertunneling van het spoor. Vanuit mijn politieke functies en dossiers heb ik ervaren hoe onvoorstelbaar hard er in coalities dagelijks geknokt moet worden om de liberale uitgangspunten te vertalen in concreet politiek resultaat. Politiek-bestuurlijke processen moeten nauwgezet bewaakt worden vanaf concept tot uitvoeringsdetail. Voor de periode 2010 2014 sta ik nummer 2 op de kandidatenlijst en ben wethouderskandidaat. Indien wij lokaal in de oppositierol terecht komen pak ik de volksvertegenwoordigende rol in de gemeenteraad op.

 

Waarom in de Tweede Kamer?

Het namens de kiezer dienen van het openbaar bestuur door het kabinet te controleren en op te treden als mede-wetgever is eervol werk. Dan kan vanuit de oppositierol en als regeringspartij. De keuze voor Nederlands recht en juridische bestuurswetenschappen aan de RuG in 1988 was voor mij een eerste stap richting het openbaar bestuur. De wetenschappelijke vraag in hoeverre een gestelde regel maatschappelijk effect boeit mij mateloos. De tweede stap kwam met mijn intrede in het georganiseerde bedrijfsleven van de brancheorganisaties en de derde volgde met mijn stap naar de VVD in de lokale en regionale  politiek. Een vierde stap naar de landelijke VVD en de landelijke politiek past in dit rijtje. 

Vanuit mijn professionele achtergrond kan ik in de VVD TK-fractie een bijdrage leveren met een inhoudelijke affiniteit met het maken en beoordelen van  wetgeving, bestuursrecht en bestuurskundige processen, rechtsbescherming, economische ontwikkeling, Europese innovatieprogramma s, water & deltatechnologie, innovatie en  georganiseerde (mkb)bedrijfsleven.

Voor mijn militaire diens, studie en eerste werkzaamheden woonde ik van 1986 tot 1997 in Groningen en heb daardoor warme gevoelens voor het noordoosten van ons land. Vanwege mijn huidige woonplaats en mijn politieke activiteiten van de laatste 10 jaar heb ik een geografische betrokkenheid bij Zuid-Holland met een politiek en bestuurlijk netwerk. Tenslotte wil ik mijn ervaring in het politiek-bestuurlijke handwerk op lokaal, regionaal en provinciaal niveau voor de VVD inzetten in de Tweede Kamer zowel als in het land in de zaaltjes om liberale idealen en standpunten verder uit te dragen, om naar (kritische) leden te luisteren en met hen in debat te gaan.

 

Stem VVD, en als ik u aanspreek, stem op mij.

Met liberale groet,

Ronald Vuijk

Sorry, maar de behandeling van uw aanvraag duurt een jaar langer...

Geplaatst op maandag 29 maart 2010; reacties

Wetgeving hoort duidelijk te zijn. Als wetgeving duidelijk is kan de burger op basis van de wet zijn rechtspositie bepalen. Door het legaliteitsvereiste weet de burger wat hij van de overheid mag verwachten, maar zo eenvoudig is het, door bijvoorbeeld ‘vrije beleidsruimte’ niet. Ook te ingewikkelde regelgeving maakt het onmogelijk om de wet voldoende te kennen om het overheidsoptreden te voorspellen. Een voorbeeld van een complexe bouwaanvraag maakt duidelijk dat niet alleen de aanvrager problemen kan krijgen, maar dat ook de behandelaar van die aanvraag in de ingewikkeldheden verstrikt kan raken.    

De burger kan ten allen tijd op basis van de wet zijn rechtspositie bepalen. De gemeentelijke verordening is gemeentelijke wetgeving.  Voor de rechtszekerheid is het van belang dat de burger kan weten wat zijn rechten en plichten zijn. Dat betekent dat de wet kenbaar en duidelijk hoort te zijn.

De burger zou uit de wet het bestuursoptreden kunnen voorspellen. Het legaliteitsvereiste schrijft immers voor dat het bestuursoptreden grondslag vindt in de wet, er een inhoudelijke normstelling in die wet hoort te staan en dat de overheid die wet ook toepast. Duidelijk mag zijn dat het zo mooi niet is. Beslissingsruimte in de wet leidt tot beoordelingsruimte en beleidsvrijheid. Delegatie van bevoegdheden tot versnippering en wisselende toepassing. Complexiteit maakt de lezing en het begrijpen van de wet moeizaam, zeker voor niet-juridisch geschoolden.

“Een ieder hoort de wet te kennen” is een bekend adagium. Daar hoort bij dat de wet kenbaar hoort te zijn. Niet alleen door die te lezen maar ook te begrijpen. Te complexe wetgeving met tegenstrijdige eisen hoort niet en als dat wel het geval blijkt te zijn hoort de overheid daarvoor de verantwoordelijkheid te dragen en niet de argeloze burger. Ik sta voor een de burger dienende overheid en niet een de overheid dienende burger. 

Tijdens een spreekuur kwam een situatie aan het licht waarbij de behandeling van een bouwaanvraag dreigde te worden opgeschort voor een jaar doordat een andere, iets eerder ingediende aanvraag voor een integrale milieuvergunning opschortende werking bleek te hebben voor alle lopende bouwaanvragen waarbij de vertraging voor de bouwaanvragen kon oplopen tot meer dan een jaar. Die integrale vergunning leek handig omdat je dan alle milieuvergunningen voor een heel complex in één keer regelt. De aanvrager en de gemeente hadden zich die opschortende werking bij aanvraag van beide vergunningen niet gerealiseerd. Dat is ook niet zo gek omdat die opschortende werking in de praktijk ook volstrekt onlogisch is, immers een beetje actieve organisatie is altijd wel ergens op zijn complex of in zijn gebouw aan het bouwen. Het was één wettelijk voorgeschreven regel in meer dan tachtig(!) pagina’s vergunningtekst die over het hoofd was gezien. Als de aanvrager tevoren had geweten dat het indienen van een milieuvergunningaanvraag zijn bouwvergunningaanvraag met een jaar zou vertragen had hij die integrale milieuvergunning nooit aangevraagd. Er was behoorlijk wat juridische creativiteit en ambtelijke moed voor nodig om ernstig verstoorde verhoudingen te voorkomen. Het is uiteindelijk goed terecht gekomen.

Delft, 29 maart 2010

Liberalen willen geen nachtwakerstaat

Geplaatst op zondag 28 maart 2010; reacties

In het politiek debat en op straat treft de VVD niet zelden het onterechte verwijt dat wij mensen aan hun lot overlaten. Dat de VVD een kille en zwakke overheid wil en dat de VVD enkel aandacht heeft voor liberalisering of schrappen van overheidstaken, daarbij wordt dan verwezen naar historische  gedachten over de nachtwakerstaat. De VVD staat voor een kleine en sterke overheid met ruimte voor het individu met sociale voorzieningen voor zij die, al dan niet tijdelijk of buiten hun schuld, niet zelfvoorzienend zijn. Weinig liberalen hebben in de geschiedenis ooit een nachtwakerstaat voorgestaan, zeker niet de praktische liberale politici. (Schie & Dupuis, 2008)

Centraal in de verschillende liberale geschriften staat de discussie over de rol van de staat. De standpunten lopen uiteen van het volledig afwijzen van welke staatsvorm dan ook (libertariers, ook anarcho-kapitalisten genoemd) via een beperkte nachtwakerstaat, tot de door veel hedendaagse liberalen voorgestane staat die een sociale markteconomie bevordert (Haar, Groenveld, Schie, & Sande, 2001). Ten principale hebben ook klassiek liberalen voor de staat naast een rol voor de bewaring/verzekering van de interne en externe veiligheid, altijd een rol weggelegd gezien in de zorg voor de infrastructuur. Dit zowel in fysieke zin (wegen, kanalen e.d.) als in de sociaal economische zin (garanties bij kredietverstrekking, sociale kassen bij de Rijkspostspaarbank e.d.) (Schie & Dupuis, 2008).

De industriële revolutie bracht naast een veel welvaart voor een beperkte groep ook een sterkte groei van het industriële proletariaat met zich mee. Juist deze bevolkingsgroep had weinig gewonnen bij de klassiek liberale economie: gebrekkige leef- en werkomstandigheden, weinig tot geen invloed op het bestuur, etc. Het is niet voor niets dat in deze periode het communistisch denken sterk opkwam en er her en der revoluties uitbraken (bijvoorbeeld 1948, naar aanleiding waarvan Karl Marx en Friedrich Engels hun Communistisch Manifest schreven). Maar ook in liberale kring groeide het verzet tegen de onmenselijke omstandigheden waarin een groot deel van de bevolking verkeerde. Daar waar schrijvers op aangrijpende wijze het lijden van het proletariaat in beeld brachten (bijvoorbeeld Dickens in Hard Times) begonnen de zogenoemde sociaal-liberalen te pleiten voor meer overheidsbemoeienis met de leefomstandigheden van de bevolking. (Haar, Groenveld, Schie, & Sande, 2001)

Veel sociale wetten spruiten voort uit initiatieven van liberale politici/partijen Wel is er meestal een principieel onderscheid tussen wetgeving van liberalen en die van bijvoorbeeld sociaal democraten. Liberalen zien sociale wetgeving zo mogelijk als een tijdelijke overbrugging van een periode waarin een individu buiten zijn schuld niet zelfvoorzienend kan zijn. Sociaal democraten zijn meer geneigd permanent voor bepaalde groepen van burgers te zorgen. (Schie & Dupuis, 2008)

Het is een misvatting te denken dat liberalen voor een zwakke staat zijn. Liberalen willen staatstaken inderdaad nauwkeurig afgrenzen, maar daar waar de staat een taak heeft willen ze hem ook goed toerusten voor de uitoefening ervan. Wetten en regels die naar liberale overtuiging noodzakelijk zijn, dienen krachtig te worden gehandhaafd. Het liberale streven de staat klein te houden, anders gezegd het aantal staatstaken te beperken, is des te relevanter na de twintigste eeuw waarin de staat alsmaar uitdijde. Aan de neiging van de staat autonoom te groeien, en neiging die door niet-liberale partijen slechts kunstmatig extra wordt gevoed, moet het hoofd worden geboden. In de huidige omstandigheden is het dringend nodig ruimte voor individuen te herwinnen (Schie & Dupuis, 2008).

De negentiende eeuwse liberale voorman Thorbecke nam maatregelen ter verbetering en ruimere toegankelijkheid van het onderwijs en tot uitbreiding van de burgerlijke armenzorg die bij een nachtwakerstaat niet zouden passen (Schie & Dupuis, 2008). Eind negentiende en begin twintigste eeuw won het sociaal liberale gedachtegoed duidelijk terrein. Nederland heeft haar eerste sociale wetgeving te danken aan het liberale kabinet Pierson (1897-1901). Die voerde onder meer de bekende eerste sociale wet in: het kinderwetje van Van Houten. (Haar, Groenveld, Schie, & Sande, 2001)

De hedendaagse liberaal en parlementslid Ton Elias zet zich in voor ondernemers en ziet daarbij een grote rol voor de overheid bij een hardere aanpak van spooknota’s. Anderzijds pleit hij voor opheffing van ondernemingsraden, verruimde mogelijkheden van willekeurige afschrijving, afschaffen van auteursrechten en versoepeling van het ontslagrecht (Weekers, 2009). Liberaal en parlementslid Frans Weekers wijst er op dat de tering naar de nering gezet moet worden omdat anders de rekening doorgeschoven wordt naar toekomstige generaties. De AOW leeftijd moet geleidelijk omhoog naar 67 jaar voor mensen die minder dan 40 jaar gewerkt hebben. De subsidie voor niet-werkende partners, de aanrechtsubsidie, moet worden afgeschaft.  Weekers ziet een krachtige rol voor de overheid in de bestrijding van de jeugdwerkloosheid omdat Nederland het zich niet permitteren om een hele generatie op te leiden voor de bijstand. (Weekers, 2009) Liberaal en parlementslid Ineke Dezentjé Hamming ziet een rol voor de overheid in de jeugdzorg en maakt zich zorgen over de wachtlijsten. Deze wachtlijsten zijn enorm opgelopen onder de eerste minister van Jeugd en Gezin. Anderzijds verzet zij zich tegen de jacht op risicogezinnen met waarbij alle ouders een vragenlijst moeten invullen. Het bewaren, bijhouden en inzage van die gegevens ziet zij als bezwaar omdat kinderen een ‘stempel’ kunnen krijgen waar zij levenslang niet meer vanaf komen. (Dezenté Hamming, 2009)

Delft, 28 maart 2009

Bibliografie

Dezentjé Hamming, I. (2009, september). Overheid creëert risicogezinnen. Liber. Ledenkrant van de VVD , p. 3.

Haar, E. v., Groenveld, K., Schie, P. v., & Sande, R. v. (2001). Cursus Liberale Theorieën. Den Haag: Haya van Somerenstichting.

Schie, P. v., & Dupuis, H. (2008). Liberale spiegel. Den Haag: Haya van Somerenstichting.

Weekers, F. (2009, september). Geef het MKB de ruimte! Liber. Ledenkrant van de VVD , p. 1.

Een politicus die wat wil bereiken moet kunnen onderhandelen

Geplaatst op zaterdag 27 maart 2010; reacties

Het politieke en bestuurlijke werk kent veel onderhandelingsmomenten. Onderhandelingen lijken op topsport. Onderhandelen vraagt inzicht in de machtsbalans. Cor van der Klugt, oud topman van Philips, onderhandelde bijvoorbeeld over de compact disc met Japanners op zijn eigen terrein. Onderhandelen is leuk.  

Het politieke en bestuurlijke werk kent veel onderhandelingsmomenten.Iedere politiek-bestuurlijke beslissing betekent een zeker touwtrekken tussen belanghebbenden. Beleidsbepaling, bezuinigingen, verdeling van personeel en van budgetten, toekenning van bevoegdheden, projecten, ruimte in gebouwen, secretariële ondersteuning, van automatiseringsfaciliteiten; het zijn allemaal kwesties waarbij onderhandelen een rol speelt (Mastenbroek, 1997). In de volksvertegenwoordigende gremia zoals Gemeenteraad, Provinciale Staten en Tweede Kamer komen daar presentatietechniek (Bessem, 1997) en discussietechniek (Bessem, Discussietechniek I en II, 1995) bij.

Onderhandelingen lijken op topsport.Pieter Winsemius vergelijkt onderhandelen met topsport en stelt dat je nooit een uitwedstrijd moet spelen. (Winsemius, 1988). Interpreteer managers ook als bestuurders en politici om het toe te passen in de politiek. Hij zegt daarover: “In de eerste plaats is het goed te onderkennen dat de meeste managers ten opzichte van beroepssporters relatieve amateurs zijn. Zij zijn veel minder echt doelgericht opgeleid, hun ervaring in wedstrijdverband op topniveau is vaak beperkter. Waarom zouden zij het beter doen in uitwedstrijden? Die ze bovendien niet steeds behoeven te spelen; er zijn geen spelregels behalve wellicht die van de beleefdheid die voorschrijven dat iedere ‘tegenstander’ even vaak uit als thuis moet ontmoeten. Daarom, al er belangrijke zaken op het spel staan en je bent niet heel zeker van je zaak, probeer dan een thuiswedstrijd te spelen. Houd die moeilijke vergadering op eigen terrein. Waar jij bepaalt wie waar zit; op welk moment de toon van het gesprek overgaat van wellevend naar zakelijk; wanneer de koffie voor de meest welkome onderbreking kan zorgen; wanneer je secretaresse komt ‘storen’ om je aan je overvolle agenda te herinneren.”

Onderhandelen vraagt inzicht in de machtsbalans.Er is veel over geschreven. Bijvoorbeeld over het versterken van de machtsbalans aan de onderhandelingstafel. Mastenbroek citeert Korda (Korda, 1975) die daarover op amusante wijze schrijft: “Machtige mensen worden nooit nat of vuil. Zelfs als het noodweer is en iedereen verschijnt verfomfaaid in natte kleding, verschijnen machtige mensen als bij toverslag onberispelijk. Bovendien stralen ze gezondheid en vitaliteit uit. En van transpireren hebben ze nooit last. Machtige mensen wachten nooit, ze laten anderen wachten. Ze beschikken altijd en op vanzelfsprekende wijze over een gerieflijke entourage; bij lunchafspraken bijvoorbeeld is er meteen, zelfs in stampvolle gelegenheden, een uitstekende tafel voor ze beschikbaar. Machtige mensen draaien geen telefoonnummers, ze gebruiken geen kopieermachines, tellen zelf geen cijfers op, typen niet en slijpen geen potloden. Het eerste teken van macht is vaak een aansluipende hulpeloosheid. Mensen die jarenlang zelf hebben gefotokopieerd, willen dat niet alleen meer doen, maar pretenderen zelfs dat ze het niet kunnen. Machtige mensen verschijnen en verdwijnen vaak onverwachts. Rustig en resoluut komen ze binnen. Ze handelen hun zaken af en plotseling zijn ze weer verdwenen. Op de één of andere manier hebben portiers, receptionisten en secretaresses geen vat op hen. Niemand houdt hen tegen, onaangekondigd benen ze binnen waar ze maar willen. Aardig is ook wat Korda beweert over aktetassen. Natuurlijk is er ook een machtsverschil in aktekoffers. Hoe groter de koffer, hoe minder macht de drager meestal heeft. Het laagste symbool is wel de monsterkoffer van de handelsreiziger, zware stukken bagage van dik vinyl. Aktekoffers die een compleet bureau onthullen als je ze openmaakt, compleet met dossiers en vloeiblad, dienen alleen om oudere dames in een vliegtuig te imponeren. Elegante, dunne aktekoffertjes, hoe duur en hoe fraai ze ook zijn, zien er altijd uit als het verjaardagscadeau voor de aankomende man die carrières moet maken. Aktekoffers van bewerkt leer zijn zinloos als machtsvertoon. Iemand die meer dan € 100.000 verdient hoort nooit iets bij zich te dragen.

Cor van der Klugt, oud president-directeur van Philips, vertelde in ‘Fortune’ het verhaal van zijn onderhandelingen met Akio Morita van Sony over samenwerking. Het ging over Philipstechnologie in ruil voor een gezamenlijke keus voor één productstandaard op het gebied van compact discs. Van der Klugt wist dat Morita graag binnen liep op het Philips kantoor in New York, dus besloot hij hem daar te ontmoeten. ‘Als ik hem was gaan opzoeken in Tokio, zou ik in de verdediging zijn geweest’. De daaropvolgende maanden onderhandelden zij verder aan boord van vliegtuigen, op een golfbaan in Tokio en op een zeiljacht op de Noordzee.

 

Onderhandelen is leuk.

 

Delft, 27 maart 2010

 

Bibliografie

Bessem, L. (1995). Discussietechniek I en II. Den Haag: VVD Haya van Someren stichting.

Bessem, L. (1997). Presentatietechnieken II. Den Haag: Haya van Somerenstichting.

Korda, M. (1975). Macht, hoe komt u er aan, wat doet u er mee? Regels van het spel om de macht. Baarn: Meulenhoff.

Mastenbroek, W. (1997). Onderhandelen. Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum BV.

Winsemius, P. (1988). Speel nooit een uitwedstrijd. Topprestaties in sport en management. Amsterdam: Sijthoff.

Provincie baas over eigen huishouding

Geplaatst op vrijdag 26 maart 2010; reacties

Met de weblogs “Provinciaal bestuur heeft bestaansrecht I, II en III voerde ik een klein debatje met Pauljan Kuijper van D66 die aanvoerde dat bezuinigen een reden is om het bestaansrecht van de provincie als bestuurslaag ter discussie te stellen. Daar stelde ik tegenover dat de noodzaak tot bezuinigen geen zelfstandig argument is, maar van bij komende aard. Provincies moeten binnen de eigen huishouding zelf de kerntakendiscussie voeren. Ten eerste zijn hervormingen van buitenaf sinds 1795 slechts één keer succesvol geweest. Ten tweede is er voor hervormingen van buitenaf een grondwets- en een wetswijziging nodig, dat is een zaak van lange adem en kost meer dan één kabinetsperiode. Met Provincies Nieuwe Stijl is al een eerste aanzet tot hervorming gegeven. Laten we eerst de resultaten daarvan eens beoordelen. De Provincie Zuid-Holland is een mooi voorbeeld.  

Voor zover er op de inrichting van het openbaar bestuur bezuinigd kan worden door die inrichting efficiënter en kleiner  te maken zie ik dat gebeuren met een herbezinning op het Huis van Thorbecke in samenhang met de WGR+ en de waterschappen als ook met een takendiscussie. Voor zover die takendiscussie leidt tot een kleiner wordende organisatie dan past dat in de opvattingen van de VVD voor een kleinere overheid en is dat mooi meegenomen. Ik kan mij voorstellen dat D66 het argument van de takendiscussie goed kan volgen omdat dit via een omweg alsnog kan leiden tot drastische hervormingen. Echt nieuw of progressief is het hervormen van provincies overigens niet te noemen. In de periode 1795 – 1813 zijn al verschillende pogingen gedaan om van de provinciale indeling af te komen om de band met het verleden te verbreken. Radicaal was enkel de verandering in 1848 door de liberaal Thorbecke met bijvoorbeeld direct kiesrecht voor ingezetenen en een eigen begroting met belastingheffing voor het genereren van provinciale inkomsten. (Prakke, 1989)

Een oplossingsrichting om tot herinrichting van het openbaar bestuur te komen is om de “eigen huishouding” van de provincie om te vormen tot een zogenoemde gesloten huishouding met wettelijk voorgeschreven taken.

Dan rijst dus eerst de vraag wat nu die huishouding precies is en waar die dan over gaat.

Het instellen en opheffen van de provincies is in de Grondwet opgedragen aan de wetgever. De Grondwet regelt verder dat de bevoegdheid tot regeling en bestuur “inzake hun huishouding” aan hun besturen wordt “overgelaten”. Het woordgebruik “overgelaten” staat voor een principiële keuze: “de grondwetgever “verleent” die bevoegdheid niet, maar constateert dat de provincies die van oudsher bezitten. Het begrip “huishouding” had voor Thorbecke destijds een duidelijke betekenis in de “driekringenleer”. De nationale huishouding werd gevoerd door vijf ministeries: binnenlandse zaken en justitie, financiën, buitenlandse zaken, kolonien en oorlog. De provinciale huishouding richtte zich op waterschaps- en waterstaatszaken en met interlokale land- en vaarwegen. De gemeenten zorgden voor de bruggen, veren, kaden, straten, openbare orde, gezondheid en goede zeden. De kosten van de eigen huishouding werd gedragen door de ingezetenen. In de loop van de tijd werd duidelijk dat de huishouding een open, dynamisch begrip is, waarvan de grenzen niet in de Grondwet of de Provinciewet kunnen worden gegeven. Telkens wanneer een hogere wetgever regelend optreedt, trekt hij datgene waarop die regelgeving betrekking heeft binnen de sfeer van de eigen huishouding en ontrekt het aan de huishouding van de lagere wetgever. De huishouding laat zich dan ook slechts negatief omschrijven: tot de provinciale huishouding behoort dat terrein dat niet door een hogere wetgever is betreden. (Akkermans, 1987)   

De wetgever regelt in de Provinciewet dat de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de provincie aan het aan het provinciebestuur wordt overgelaten. De vrije bevoegdheid tot regeling en bestuur (autonomie), en de mogelijkheid dat regeling en bestuur door een hogere overheid gevorderd kunnen worden (medebewind), vormen de wezenskenmerken van de bevoegdheid van het provinciale bestuur. (Kummeling & Modderkolk, 2004) Deze regeling sterkt mij in de overtuiging dat een kerntakendiscussie met een mogelijke  vermindering van taken als gevolg eerst in Provinciale Staten gevoerd moet worden.

Voor zover de taken van de provincie door de wetgever beperkt gaan  worden is een grondwetswijziging en een wetswijziging nodig. Dit is een krachtig argument  om mij aan te sluiten bij eerdere opmerkingen van premier Balkenende die stelde dat de provincies zelf moeten veranderen. (Bouwmans, 01-10-2009)

De provincie Zuid-Holland volgt inmiddels de sturingsfilosofie van de Provincie Nieuwe Stijl om de provincie in te richten als een slagvaardige, daadkrachtige en uitvoeringsgerichte bestuurslaag. De nadruk ligt op versterking van de hoofdtaken en de bijbehorende veranderingen in bestuurlijk en ambtelijk handelen. Die hoofdtaken liggen met name op ruimtelijke omgevingstaken inclusief cultuurtaken (het zogenaamde integrale omgevingsbeleid) en de wettelijke taken ten aanzien van sociaal maatschappelijke vraagstukken zoals jeugdzorg en tweedelijns ondersteuning van gemeenten. Centraal staan bovengemeentelijke verdelingsvraagstukken in de fysieke ruimte waarbij het dan gaat om coördinatie en geschilbeslechting. Bij het versterken van de hoofdtaken wordt vooral aandacht gegeven aan bestuurskracht, veiligheid en ruimtelijke kaders. (Zuid-Holland, 2009)

Mij lijkt het provinciebestuur uitstekend in staat om een kerntakendiscussie eerst zelf goed te voeren.

 

Delft, 26 maart 2010

Bibliografie

Akkermans, P. (1987). DE GRONDWET Een artikelsgewijs commentaar. Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink.

Bouwmans, H. (01-10-2009). Premier: 'Provincies moeten veranderen'. Binnenlands Bestuur .

Kummeling, H., & Modderkolk, A. (2004). TEKST & COMMENTAAR Gemeentewet Provinciewet. Deventer: Kluwer.

Prakke, L. (1989). Handboek van het Nederlandse staatsrecht (Van der Pot-Donner). Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink.

Zuid-Holland, P. S. (2009). Begroting 2010. Den Haag: Provincie Zuid-Holland.

Water- & deltatechnologie als grootschalige onderzoeksinfrastructuur

Geplaatst op donderdag 25 maart 2010; reacties

Delft leeft met water in de stad: de grachten, de havens en het Rijn-Schiekanaal. Er wordt op gevaren, in gevist en in gezwommen. Het water wordt tegengehouden met kaden, dijken en gemalen om droge voeten te houden. Klimaatverandering met meer regenval en een stijgende zeespiegel dwingen na te denken over maatregelen. Water- & deltatechnologie is onderdeel van de identiteit van Delft.

Kennisinstituten als de Technische Universiteit Delft, Deltares, TNO, UNESCO-IHE en het Hoogheemraadschap Delfland dragen bij aan de economie van Delft en de regio. Delft zoekt de samenwerking en afstemming in de watersector onder de naam Delft Blue Technology en kan de waterkennis zichtbaar maken in het Watercentrum. De samenwerking kan verder gestimuleerd worden door het ontwikkelen van een water- en deltatechnologie cluster op Science Port Holland. Tenslotte kunnen ook de technostarters van Yes!Delft mee doen. Paradepaard in de zichtbaarheid kan de zijn de jaarlijkse waterconferentie om de Delftse waterkennis wereldwijd te etaleren.

We missen nog een echte Europese samenwerkingsambitie. De KIC Klimaat[1]vormt de opmaat om de nationale ‘bakstenen’ onderzoeksfaciliteiten in de water- & deltatechnologie opgenomen te krijgen in de volgende European Roadmap for Research Infrastructures van het European Strategy Forum on Research Infrastructures (ESFRI). Water- & deltatechnologie komt in die roadmap niet voor. In dat verband is het goed te realiseren dat het zwaartepunt van de nationale onderzoeksinfrastructuur in Water- & deltatechnologie in Delft ligt.

Grootschalige onderzoeksfaciliteiten zijn van onschatbaar strategisch belang voor de Nederlandse kenniseconomie en voor een bloeiend innovatieklimaat. Daarvoor zijn vier argumenten aan te voeren (Velzen, 2008): Grootschalige onderzoeksfaciliteiten zijn de essentiële gereedschappen voor wetenschappelijke vooruitgang en voor het verrichten van toponderzoek, hebben een groot maatschappelijk en economisch belang, leiden tot een concentratie van menselijk kapitaal en fungeren als knooppunt. De gedachten achter de roadmap zijn vanuit deze argumentatie bezien voor Delft niet alleen van belang voor Water & deltatechnologie maar ook voor Medical Delta en de biotechnologie.

De grote vraag is nu hoe je op de roadmap komt. Dat is een onduidelijk proces, gebaseerd op een afweging van nationale en Europese belangen, wetenschappelijke consensus en schaalgrootte. Economische belangen spelen in Nederland ten onrechte vooralsnog een ondergeschikte rol. Ik ben van mening dat economische belangen wel een rol moeten spelen en kom daar later dit jaar nog verder op terug. In deze eerste tekst verken ik slechts de diepere achtergrond achter de Roadmap opdat wij bij de uitwerking precies kunnen begrijpen hoe, bij wie en met welke argumenten de lobby gevoerd moet worden.

In 2006 verscheen in opdracht van de Europese Commissie de eerste Europese roadmap (ESFRI, 2006). De opdracht die in 2004 werd verleend luidde:

“In the context of developing Research Infrastructures of European interest, the Council of the European Union welcomes the development of a strategic roadmap for Europe in the field of Research Infrastructures and the role of the European Strategy Forum for Research Infrastructures (ESFRI) in this context. This roadmap should describe the scientific needs for Research Infrastructures for the next 10-20 years, on the basis of a methodology recognised by al stakeholders, and take into account input from relevant inter-governmental research organisations as well as the industrial community. The Council stresses that this roadmap should identify vital new European Research Infrastructures of different size and scope, including medium-sized infrastructures and those in the fields of humanities and bio-informatics, such as electronic archiving systems for scientific publications and databases.

Op verzoek van de Minister van OCW is op 9 juli 2007 de Commissie Nationale Roadmap Grootschalige Onderzoeksfaciliteiten ingesteld. De Commissie presenteerde in 2008 een advies met 25 grootschalige onderzoeksfaciliteiten waarvan naar het oordeel van de Commissie de bouw en exploitatie van belang zijn voor de vitaliteit en het innovatief vermogen van het Nederlandse wetenschap systeem. Water & deltatechnologie komt in die advies niet voor.

In een recent gesprek met de Koninklijke Academie voor Wetenschappen (KNAW) proefde ik enig momentum en enthousiasme voor Water & deltatechnologie. De KNAW vertegenwoordigt Nederland in het ESFI.

Er is echter een lange politieke en bestuurlijke weg te gaan voor dat alle neuzen dezelfde kant opstaan.

 

Delft, 25 maart 2010

 

Bibliografie

ESFRI. (2006). European Roadmap for Research Infrastructures, Report 2006. Brussel: European Strategy Forum on research Infrastructures (ESFRI).

Velzen, W. v. (2008). Nederlandse Roadmap Grootschalige Onderzoeksfaciliteiten. Amsterdam: Commissie Nationale Roadmap Grootschalige Onderzoeksfaciliteiten.



[1]Klimaat KIC voor de Randstad. Medio 2009 heeft het European Technoloy Institute de drie Knowledge and innovation Communities geselecteerd. Met een mooie uitkomst voor de Randstad. De Randstad gaat samen met de regio's Londen, Zurich, Parijs en Berlijn een klimaatgemeenschap vormen. Gedurende 2009 hebben de Universiteit van Utrecht, gesteund door de provincie Utrecht, hard aan dit traject getrokken. Partners in Nederland zijn verder o.a. de Universiteit van Delft en Food Vally Wageningen.

Voeg toe aan Delicious Voeg toe aan NUjij Voeg toe aan Google bookmarks Voeg toe aan Linked In Voeg toe aan NUjij Voeg toe aan Technorati Voeg toe aan Twitter 
© 2010 VVD Delft  |  Colofon  |  RSS | Sitemap