| VVD Delft > Bestuur van de stad |
Geplaatst op zaterdag 24 april 2010; reacties
Tijdens de behandeling van het coalitieakkoord in de gemeenteraad onthulde de fractievoorzitter van de PvdA dat de coalitiepartijen circa 22 dagdelen met elkaar onderhandeld hebben. Kwantitatief heeft dat iets minder dan een pagina akkoord per dagdeel opgeleverd. De kwalitatieve vruchten van deze inspanning zijn beperkt. Keuzes waar gesaneerd gaat worden om het benodigde bezuinigingsbedrag van 30 miljoen te vinden zijn nog niet gemaakt. Ook is nog niet helder waar de verwoorde ambities uit betaald gaan worden. Het vrijgemaakte bedrag van 1 miljoen zal zeer waarschijnlijk niet toereikend zijn om de verlanglijst van de vijf coalitiepartijen te realiseren. Voor een concrete uitwerking moeten wij wachten op het bestuursprogramma. De fractievoorzitter van de SP miste vooral ook een aantal ideologische veren in het akkoord. Echte linkse punten waar de PvdA en GroenLinks zich druk over zouden moeten maken staan er volgens de SP niet in. "Hoe neo-liberaal wil je het hebben?", was haar verontwaardigde reactie. Op zich heeft zij daar wel een punt. Het vorige coalitieakkoord bevatte op onderdelen meer politieke kleur. Op mijn vraag of zij van mening was dat met deze coalitie de stad Delft een ruk naar rechts maakt, gaf zij een volmondig ja als antwoord. Het belooft een boeiende raadsperiode te worden...
Lennart Harpe
Geplaatst op vrijdag 2 april 2010; reacties
De ambtelijke werkgroepen, die de afgelopen periode tal van bezuinigingsmogelijkheden op een rij hebben gezet, kwamen gisteren met de resultaten naar buiten. Op 1 april nog wel, maar veel te lachen viel er niet. De ambtenaren zijn klaar, nu zijn de politici aan zet. De eerste reacties maken wel duidelijk dat verschillende keuzes gemaakt zullen gaan worden. Ik ben benieuwd welk bezuinigingspakket straks kan rekenen op een meerderheid in het parlement.
Zelf was ik met name nieuwsgierig naar de bezuinigingen op het openbaar bestuur. Het opheffen van waterschappen en provincies en het terugbrengen van het aantal gemeenten van 430 naar 25 tot 30 regiogemeenten, is de meest vergaande optie. Het leidt tot de drie bestuurslagen Europa, Rijk en Gemeenten. De overblijvende gemeenten nemen wellicht de vorm aan van de huidige veiligheidsregio's en zijn heel fors. De gemeente Haaglanden bijvoorbeeld telt dan ruim 1 miljoen inwoners. Het aantal decentrale politieke ambtsdragers neemt aanzienlijk af en gaat van 13.000 terug naar 1650. Omdat voor deze herinrichting van het openbaar bestuur een grondwetswijziging noodzakelijk is, is ook een lichtere en sneller te realiseren variant bedacht. In dat geval houden wij 5 tot 8 provincies over en circa 150 gemeenten. De gemeente MiddenRijsDelft komt dan weer om de hoek kijken.....
Ik ben benieuwd welke politieke partijen voor de Tweede Kamerverkiezingen van 9 juni kleur durven bekennen en aangeven welke keuzes zij willen maken. Het debat over de herinrichting van het lokaal bestuur heeft in ieder geval een forse impuls gekregen. Laten wij daar in Delft ook ons steentje aan bijdragen.
Lennart Harpe
Geplaatst op maandag 29 maart 2010; reacties
Wetgeving hoort duidelijk te zijn. Als wetgeving duidelijk is kan de burger op basis van de wet zijn rechtspositie bepalen. Door het legaliteitsvereiste weet de burger wat hij van de overheid mag verwachten, maar zo eenvoudig is het, door bijvoorbeeld ‘vrije beleidsruimte’ niet. Ook te ingewikkelde regelgeving maakt het onmogelijk om de wet voldoende te kennen om het overheidsoptreden te voorspellen. Een voorbeeld van een complexe bouwaanvraag maakt duidelijk dat niet alleen de aanvrager problemen kan krijgen, maar dat ook de behandelaar van die aanvraag in de ingewikkeldheden verstrikt kan raken.
De burger kan ten allen tijd op basis van de wet zijn rechtspositie bepalen. De gemeentelijke verordening is gemeentelijke wetgeving. Voor de rechtszekerheid is het van belang dat de burger kan weten wat zijn rechten en plichten zijn. Dat betekent dat de wet kenbaar en duidelijk hoort te zijn.
De burger zou uit de wet het bestuursoptreden kunnen voorspellen. Het legaliteitsvereiste schrijft immers voor dat het bestuursoptreden grondslag vindt in de wet, er een inhoudelijke normstelling in die wet hoort te staan en dat de overheid die wet ook toepast. Duidelijk mag zijn dat het zo mooi niet is. Beslissingsruimte in de wet leidt tot beoordelingsruimte en beleidsvrijheid. Delegatie van bevoegdheden tot versnippering en wisselende toepassing. Complexiteit maakt de lezing en het begrijpen van de wet moeizaam, zeker voor niet-juridisch geschoolden.
“Een ieder hoort de wet te kennen” is een bekend adagium. Daar hoort bij dat de wet kenbaar hoort te zijn. Niet alleen door die te lezen maar ook te begrijpen. Te complexe wetgeving met tegenstrijdige eisen hoort niet en als dat wel het geval blijkt te zijn hoort de overheid daarvoor de verantwoordelijkheid te dragen en niet de argeloze burger. Ik sta voor een de burger dienende overheid en niet een de overheid dienende burger.
Tijdens een spreekuur kwam een situatie aan het licht waarbij de behandeling van een bouwaanvraag dreigde te worden opgeschort voor een jaar doordat een andere, iets eerder ingediende aanvraag voor een integrale milieuvergunning opschortende werking bleek te hebben voor alle lopende bouwaanvragen waarbij de vertraging voor de bouwaanvragen kon oplopen tot meer dan een jaar. Die integrale vergunning leek handig omdat je dan alle milieuvergunningen voor een heel complex in één keer regelt. De aanvrager en de gemeente hadden zich die opschortende werking bij aanvraag van beide vergunningen niet gerealiseerd. Dat is ook niet zo gek omdat die opschortende werking in de praktijk ook volstrekt onlogisch is, immers een beetje actieve organisatie is altijd wel ergens op zijn complex of in zijn gebouw aan het bouwen. Het was één wettelijk voorgeschreven regel in meer dan tachtig(!) pagina’s vergunningtekst die over het hoofd was gezien. Als de aanvrager tevoren had geweten dat het indienen van een milieuvergunningaanvraag zijn bouwvergunningaanvraag met een jaar zou vertragen had hij die integrale milieuvergunning nooit aangevraagd. Er was behoorlijk wat juridische creativiteit en ambtelijke moed voor nodig om ernstig verstoorde verhoudingen te voorkomen. Het is uiteindelijk goed terecht gekomen.
Delft, 29 maart 2010
Geplaatst op zondag 28 maart 2010; reacties
In het politiek debat en op straat treft de VVD niet zelden het onterechte verwijt dat wij mensen aan hun lot overlaten. Dat de VVD een kille en zwakke overheid wil en dat de VVD enkel aandacht heeft voor liberalisering of schrappen van overheidstaken, daarbij wordt dan verwezen naar historische gedachten over de nachtwakerstaat. De VVD staat voor een kleine en sterke overheid met ruimte voor het individu met sociale voorzieningen voor zij die, al dan niet tijdelijk of buiten hun schuld, niet zelfvoorzienend zijn. Weinig liberalen hebben in de geschiedenis ooit een nachtwakerstaat voorgestaan, zeker niet de praktische liberale politici. (Schie & Dupuis, 2008)
Centraal in de verschillende liberale geschriften staat de discussie over de rol van de staat. De standpunten lopen uiteen van het volledig afwijzen van welke staatsvorm dan ook (libertariers, ook anarcho-kapitalisten genoemd) via een beperkte nachtwakerstaat, tot de door veel hedendaagse liberalen voorgestane staat die een sociale markteconomie bevordert (Haar, Groenveld, Schie, & Sande, 2001). Ten principale hebben ook klassiek liberalen voor de staat naast een rol voor de bewaring/verzekering van de interne en externe veiligheid, altijd een rol weggelegd gezien in de zorg voor de infrastructuur. Dit zowel in fysieke zin (wegen, kanalen e.d.) als in de sociaal economische zin (garanties bij kredietverstrekking, sociale kassen bij de Rijkspostspaarbank e.d.) (Schie & Dupuis, 2008).
De industriële revolutie bracht naast een veel welvaart voor een beperkte groep ook een sterkte groei van het industriële proletariaat met zich mee. Juist deze bevolkingsgroep had weinig gewonnen bij de klassiek liberale economie: gebrekkige leef- en werkomstandigheden, weinig tot geen invloed op het bestuur, etc. Het is niet voor niets dat in deze periode het communistisch denken sterk opkwam en er her en der revoluties uitbraken (bijvoorbeeld 1948, naar aanleiding waarvan Karl Marx en Friedrich Engels hun Communistisch Manifest schreven). Maar ook in liberale kring groeide het verzet tegen de onmenselijke omstandigheden waarin een groot deel van de bevolking verkeerde. Daar waar schrijvers op aangrijpende wijze het lijden van het proletariaat in beeld brachten (bijvoorbeeld Dickens in Hard Times) begonnen de zogenoemde sociaal-liberalen te pleiten voor meer overheidsbemoeienis met de leefomstandigheden van de bevolking. (Haar, Groenveld, Schie, & Sande, 2001)
Veel sociale wetten spruiten voort uit initiatieven van liberale politici/partijen Wel is er meestal een principieel onderscheid tussen wetgeving van liberalen en die van bijvoorbeeld sociaal democraten. Liberalen zien sociale wetgeving zo mogelijk als een tijdelijke overbrugging van een periode waarin een individu buiten zijn schuld niet zelfvoorzienend kan zijn. Sociaal democraten zijn meer geneigd permanent voor bepaalde groepen van burgers te zorgen. (Schie & Dupuis, 2008)
Het is een misvatting te denken dat liberalen voor een zwakke staat zijn. Liberalen willen staatstaken inderdaad nauwkeurig afgrenzen, maar daar waar de staat een taak heeft willen ze hem ook goed toerusten voor de uitoefening ervan. Wetten en regels die naar liberale overtuiging noodzakelijk zijn, dienen krachtig te worden gehandhaafd. Het liberale streven de staat klein te houden, anders gezegd het aantal staatstaken te beperken, is des te relevanter na de twintigste eeuw waarin de staat alsmaar uitdijde. Aan de neiging van de staat autonoom te groeien, en neiging die door niet-liberale partijen slechts kunstmatig extra wordt gevoed, moet het hoofd worden geboden. In de huidige omstandigheden is het dringend nodig ruimte voor individuen te herwinnen (Schie & Dupuis, 2008).
De negentiende eeuwse liberale voorman Thorbecke nam maatregelen ter verbetering en ruimere toegankelijkheid van het onderwijs en tot uitbreiding van de burgerlijke armenzorg die bij een nachtwakerstaat niet zouden passen (Schie & Dupuis, 2008). Eind negentiende en begin twintigste eeuw won het sociaal liberale gedachtegoed duidelijk terrein. Nederland heeft haar eerste sociale wetgeving te danken aan het liberale kabinet Pierson (1897-1901). Die voerde onder meer de bekende eerste sociale wet in: het kinderwetje van Van Houten. (Haar, Groenveld, Schie, & Sande, 2001)
De hedendaagse liberaal en parlementslid Ton Elias zet zich in voor ondernemers en ziet daarbij een grote rol voor de overheid bij een hardere aanpak van spooknota’s. Anderzijds pleit hij voor opheffing van ondernemingsraden, verruimde mogelijkheden van willekeurige afschrijving, afschaffen van auteursrechten en versoepeling van het ontslagrecht (Weekers, 2009). Liberaal en parlementslid Frans Weekers wijst er op dat de tering naar de nering gezet moet worden omdat anders de rekening doorgeschoven wordt naar toekomstige generaties. De AOW leeftijd moet geleidelijk omhoog naar 67 jaar voor mensen die minder dan 40 jaar gewerkt hebben. De subsidie voor niet-werkende partners, de aanrechtsubsidie, moet worden afgeschaft. Weekers ziet een krachtige rol voor de overheid in de bestrijding van de jeugdwerkloosheid omdat Nederland het zich niet permitteren om een hele generatie op te leiden voor de bijstand. (Weekers, 2009) Liberaal en parlementslid Ineke Dezentjé Hamming ziet een rol voor de overheid in de jeugdzorg en maakt zich zorgen over de wachtlijsten. Deze wachtlijsten zijn enorm opgelopen onder de eerste minister van Jeugd en Gezin. Anderzijds verzet zij zich tegen de jacht op risicogezinnen met waarbij alle ouders een vragenlijst moeten invullen. Het bewaren, bijhouden en inzage van die gegevens ziet zij als bezwaar omdat kinderen een ‘stempel’ kunnen krijgen waar zij levenslang niet meer vanaf komen. (Dezenté Hamming, 2009)
Delft, 28 maart 2009
Dezentjé Hamming, I. (2009, september). Overheid creëert risicogezinnen. Liber. Ledenkrant van de VVD , p. 3.
Haar, E. v., Groenveld, K., Schie, P. v., & Sande, R. v. (2001). Cursus Liberale Theorieën. Den Haag: Haya van Somerenstichting.
Schie, P. v., & Dupuis, H. (2008). Liberale spiegel. Den Haag: Haya van Somerenstichting.
Weekers, F. (2009, september). Geef het MKB de ruimte! Liber. Ledenkrant van de VVD , p. 1.
Geplaatst op zaterdag 27 maart 2010; reacties
Het politieke en bestuurlijke werk kent veel onderhandelingsmomenten. Onderhandelingen lijken op topsport. Onderhandelen vraagt inzicht in de machtsbalans. Cor van der Klugt, oud topman van Philips, onderhandelde bijvoorbeeld over de compact disc met Japanners op zijn eigen terrein. Onderhandelen is leuk.
Het politieke en bestuurlijke werk kent veel onderhandelingsmomenten.Iedere politiek-bestuurlijke beslissing betekent een zeker touwtrekken tussen belanghebbenden. Beleidsbepaling, bezuinigingen, verdeling van personeel en van budgetten, toekenning van bevoegdheden, projecten, ruimte in gebouwen, secretariële ondersteuning, van automatiseringsfaciliteiten; het zijn allemaal kwesties waarbij onderhandelen een rol speelt (Mastenbroek, 1997). In de volksvertegenwoordigende gremia zoals Gemeenteraad, Provinciale Staten en Tweede Kamer komen daar presentatietechniek (Bessem, 1997) en discussietechniek (Bessem, Discussietechniek I en II, 1995) bij.
Onderhandelingen lijken op topsport.Pieter Winsemius vergelijkt onderhandelen met topsport en stelt dat je nooit een uitwedstrijd moet spelen. (Winsemius, 1988). Interpreteer managers ook als bestuurders en politici om het toe te passen in de politiek. Hij zegt daarover: “In de eerste plaats is het goed te onderkennen dat de meeste managers ten opzichte van beroepssporters relatieve amateurs zijn. Zij zijn veel minder echt doelgericht opgeleid, hun ervaring in wedstrijdverband op topniveau is vaak beperkter. Waarom zouden zij het beter doen in uitwedstrijden? Die ze bovendien niet steeds behoeven te spelen; er zijn geen spelregels behalve wellicht die van de beleefdheid die voorschrijven dat iedere ‘tegenstander’ even vaak uit als thuis moet ontmoeten. Daarom, al er belangrijke zaken op het spel staan en je bent niet heel zeker van je zaak, probeer dan een thuiswedstrijd te spelen. Houd die moeilijke vergadering op eigen terrein. Waar jij bepaalt wie waar zit; op welk moment de toon van het gesprek overgaat van wellevend naar zakelijk; wanneer de koffie voor de meest welkome onderbreking kan zorgen; wanneer je secretaresse komt ‘storen’ om je aan je overvolle agenda te herinneren.”
Onderhandelen vraagt inzicht in de machtsbalans.Er is veel over geschreven. Bijvoorbeeld over het versterken van de machtsbalans aan de onderhandelingstafel. Mastenbroek citeert Korda (Korda, 1975) die daarover op amusante wijze schrijft: “Machtige mensen worden nooit nat of vuil. Zelfs als het noodweer is en iedereen verschijnt verfomfaaid in natte kleding, verschijnen machtige mensen als bij toverslag onberispelijk. Bovendien stralen ze gezondheid en vitaliteit uit. En van transpireren hebben ze nooit last. Machtige mensen wachten nooit, ze laten anderen wachten. Ze beschikken altijd en op vanzelfsprekende wijze over een gerieflijke entourage; bij lunchafspraken bijvoorbeeld is er meteen, zelfs in stampvolle gelegenheden, een uitstekende tafel voor ze beschikbaar. Machtige mensen draaien geen telefoonnummers, ze gebruiken geen kopieermachines, tellen zelf geen cijfers op, typen niet en slijpen geen potloden. Het eerste teken van macht is vaak een aansluipende hulpeloosheid. Mensen die jarenlang zelf hebben gefotokopieerd, willen dat niet alleen meer doen, maar pretenderen zelfs dat ze het niet kunnen. Machtige mensen verschijnen en verdwijnen vaak onverwachts. Rustig en resoluut komen ze binnen. Ze handelen hun zaken af en plotseling zijn ze weer verdwenen. Op de één of andere manier hebben portiers, receptionisten en secretaresses geen vat op hen. Niemand houdt hen tegen, onaangekondigd benen ze binnen waar ze maar willen. Aardig is ook wat Korda beweert over aktetassen. Natuurlijk is er ook een machtsverschil in aktekoffers. Hoe groter de koffer, hoe minder macht de drager meestal heeft. Het laagste symbool is wel de monsterkoffer van de handelsreiziger, zware stukken bagage van dik vinyl. Aktekoffers die een compleet bureau onthullen als je ze openmaakt, compleet met dossiers en vloeiblad, dienen alleen om oudere dames in een vliegtuig te imponeren. Elegante, dunne aktekoffertjes, hoe duur en hoe fraai ze ook zijn, zien er altijd uit als het verjaardagscadeau voor de aankomende man die carrières moet maken. Aktekoffers van bewerkt leer zijn zinloos als machtsvertoon. Iemand die meer dan € 100.000 verdient hoort nooit iets bij zich te dragen.
Cor van der Klugt, oud president-directeur van Philips, vertelde in ‘Fortune’ het verhaal van zijn onderhandelingen met Akio Morita van Sony over samenwerking. Het ging over Philipstechnologie in ruil voor een gezamenlijke keus voor één productstandaard op het gebied van compact discs. Van der Klugt wist dat Morita graag binnen liep op het Philips kantoor in New York, dus besloot hij hem daar te ontmoeten. ‘Als ik hem was gaan opzoeken in Tokio, zou ik in de verdediging zijn geweest’. De daaropvolgende maanden onderhandelden zij verder aan boord van vliegtuigen, op een golfbaan in Tokio en op een zeiljacht op de Noordzee.
Onderhandelen is leuk.
Delft, 27 maart 2010
Bessem, L. (1995). Discussietechniek I en II. Den Haag: VVD Haya van Someren stichting.
Bessem, L. (1997). Presentatietechnieken II. Den Haag: Haya van Somerenstichting.
Korda, M. (1975). Macht, hoe komt u er aan, wat doet u er mee? Regels van het spel om de macht. Baarn: Meulenhoff.
Mastenbroek, W. (1997). Onderhandelen. Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum BV.
Winsemius, P. (1988). Speel nooit een uitwedstrijd. Topprestaties in sport en management. Amsterdam: Sijthoff.
Geplaatst op vrijdag 26 maart 2010; reacties
Met de weblogs “Provinciaal bestuur heeft bestaansrecht I, II en III voerde ik een klein debatje met Pauljan Kuijper van D66 die aanvoerde dat bezuinigen een reden is om het bestaansrecht van de provincie als bestuurslaag ter discussie te stellen. Daar stelde ik tegenover dat de noodzaak tot bezuinigen geen zelfstandig argument is, maar van bij komende aard. Provincies moeten binnen de eigen huishouding zelf de kerntakendiscussie voeren. Ten eerste zijn hervormingen van buitenaf sinds 1795 slechts één keer succesvol geweest. Ten tweede is er voor hervormingen van buitenaf een grondwets- en een wetswijziging nodig, dat is een zaak van lange adem en kost meer dan één kabinetsperiode. Met Provincies Nieuwe Stijl is al een eerste aanzet tot hervorming gegeven. Laten we eerst de resultaten daarvan eens beoordelen. De Provincie Zuid-Holland is een mooi voorbeeld.
Voor zover er op de inrichting van het openbaar bestuur bezuinigd kan worden door die inrichting efficiënter en kleiner te maken zie ik dat gebeuren met een herbezinning op het Huis van Thorbecke in samenhang met de WGR+ en de waterschappen als ook met een takendiscussie. Voor zover die takendiscussie leidt tot een kleiner wordende organisatie dan past dat in de opvattingen van de VVD voor een kleinere overheid en is dat mooi meegenomen. Ik kan mij voorstellen dat D66 het argument van de takendiscussie goed kan volgen omdat dit via een omweg alsnog kan leiden tot drastische hervormingen. Echt nieuw of progressief is het hervormen van provincies overigens niet te noemen. In de periode 1795 – 1813 zijn al verschillende pogingen gedaan om van de provinciale indeling af te komen om de band met het verleden te verbreken. Radicaal was enkel de verandering in 1848 door de liberaal Thorbecke met bijvoorbeeld direct kiesrecht voor ingezetenen en een eigen begroting met belastingheffing voor het genereren van provinciale inkomsten. (Prakke, 1989)
Een oplossingsrichting om tot herinrichting van het openbaar bestuur te komen is om de “eigen huishouding” van de provincie om te vormen tot een zogenoemde gesloten huishouding met wettelijk voorgeschreven taken.
Dan rijst dus eerst de vraag wat nu die huishouding precies is en waar die dan over gaat.
Het instellen en opheffen van de provincies is in de Grondwet opgedragen aan de wetgever. De Grondwet regelt verder dat de bevoegdheid tot regeling en bestuur “inzake hun huishouding” aan hun besturen wordt “overgelaten”. Het woordgebruik “overgelaten” staat voor een principiële keuze: “de grondwetgever “verleent” die bevoegdheid niet, maar constateert dat de provincies die van oudsher bezitten. Het begrip “huishouding” had voor Thorbecke destijds een duidelijke betekenis in de “driekringenleer”. De nationale huishouding werd gevoerd door vijf ministeries: binnenlandse zaken en justitie, financiën, buitenlandse zaken, kolonien en oorlog. De provinciale huishouding richtte zich op waterschaps- en waterstaatszaken en met interlokale land- en vaarwegen. De gemeenten zorgden voor de bruggen, veren, kaden, straten, openbare orde, gezondheid en goede zeden. De kosten van de eigen huishouding werd gedragen door de ingezetenen. In de loop van de tijd werd duidelijk dat de huishouding een open, dynamisch begrip is, waarvan de grenzen niet in de Grondwet of de Provinciewet kunnen worden gegeven. Telkens wanneer een hogere wetgever regelend optreedt, trekt hij datgene waarop die regelgeving betrekking heeft binnen de sfeer van de eigen huishouding en ontrekt het aan de huishouding van de lagere wetgever. De huishouding laat zich dan ook slechts negatief omschrijven: tot de provinciale huishouding behoort dat terrein dat niet door een hogere wetgever is betreden. (Akkermans, 1987)
De wetgever regelt in de Provinciewet dat de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de provincie aan het aan het provinciebestuur wordt overgelaten. De vrije bevoegdheid tot regeling en bestuur (autonomie), en de mogelijkheid dat regeling en bestuur door een hogere overheid gevorderd kunnen worden (medebewind), vormen de wezenskenmerken van de bevoegdheid van het provinciale bestuur. (Kummeling & Modderkolk, 2004) Deze regeling sterkt mij in de overtuiging dat een kerntakendiscussie met een mogelijke vermindering van taken als gevolg eerst in Provinciale Staten gevoerd moet worden.
Voor zover de taken van de provincie door de wetgever beperkt gaan worden is een grondwetswijziging en een wetswijziging nodig. Dit is een krachtig argument om mij aan te sluiten bij eerdere opmerkingen van premier Balkenende die stelde dat de provincies zelf moeten veranderen. (Bouwmans, 01-10-2009)
De provincie Zuid-Holland volgt inmiddels de sturingsfilosofie van de Provincie Nieuwe Stijl om de provincie in te richten als een slagvaardige, daadkrachtige en uitvoeringsgerichte bestuurslaag. De nadruk ligt op versterking van de hoofdtaken en de bijbehorende veranderingen in bestuurlijk en ambtelijk handelen. Die hoofdtaken liggen met name op ruimtelijke omgevingstaken inclusief cultuurtaken (het zogenaamde integrale omgevingsbeleid) en de wettelijke taken ten aanzien van sociaal maatschappelijke vraagstukken zoals jeugdzorg en tweedelijns ondersteuning van gemeenten. Centraal staan bovengemeentelijke verdelingsvraagstukken in de fysieke ruimte waarbij het dan gaat om coördinatie en geschilbeslechting. Bij het versterken van de hoofdtaken wordt vooral aandacht gegeven aan bestuurskracht, veiligheid en ruimtelijke kaders. (Zuid-Holland, 2009)
Mij lijkt het provinciebestuur uitstekend in staat om een kerntakendiscussie eerst zelf goed te voeren.
Delft, 26 maart 2010
Akkermans, P. (1987). DE GRONDWET Een artikelsgewijs commentaar. Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink.
Bouwmans, H. (01-10-2009). Premier: 'Provincies moeten veranderen'. Binnenlands Bestuur .
Kummeling, H., & Modderkolk, A. (2004). TEKST & COMMENTAAR Gemeentewet Provinciewet. Deventer: Kluwer.
Prakke, L. (1989). Handboek van het Nederlandse staatsrecht (Van der Pot-Donner). Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink.
Zuid-Holland, P. S. (2009). Begroting 2010. Den Haag: Provincie Zuid-Holland.
Geplaatst op donderdag 25 maart 2010; reacties
Twee weken geleden werd bekend dat D66, PvdA, GroenLinks, CDA en STIP met elkaar gaan onderhandelen om te komen tot een nieuwe Delftse coalitie. Daar is men, denk ik, in alle stilte druk mee bezig. De Delftenaren horen of zien daar tot nu toe in ieder geval weinig van. Opmerkelijk nieuws is vooral buiten Delft te vinden. Bijvoorbeeld in Capelle aan den IJssel waar PvdA en D66 willen dat kandidaat-wethouders psychologisch getest worden om te kijken of ze wel geschikt zijn voor de functie.....Dat is nog eens anders dan normaal.... Ook Zwijndrecht baart opzien. Daar worden pogingen in het werk gesteld om alle partijen in de raad deel te laten uitmaken van de coalitie en het te vormen college. Als dat lukt hebben ze daar dus echt een oppositie van niks. Tenslotte wordt in Pijnacker-Nootdorp geprobeerd VVD en CDA bij elkaar te brengen en de plooien van de Icesave ruzie glad te strijken. In Delft wachten de zogenaamde niet-coalerende partijen rustig af. Of er sprake is van stilte voor de storm hangt af van de inhoud van het coalitieakkoord. Er zullen waarschijnlijk nog wel een paar nachtjes slapen over heen gaan voordat de presentatie hiervan een feit is.
Lennart Harpe
Geplaatst op woensdag 24 maart 2010; reacties
Nadenkend en terugkijkend op de bestuurlijke ervaringen lokaal, regionaal en provinciaal in de periode 2006-2010 trok de discussie over het midden-bestuur opnieuw mijn aandacht. In dit soort discussies lijkt het er vaak op dat een stad als Delft te klein is voor het tafellaken en te groot voor het servet. Actueel is de inmiddels groeiende bestuurlijke samenwerking tussen Den Haag en Rotterdam met als voorlopig hoogtepunt de nieuwe naam Rotterdam-The Hague Airport. In 2010 wordt de WGR+ geëvalueerd, voldoende aanleiding voor het formuleren van enkele eerste gedachten.
Stadsregio
De geschiedenis van de huidige stadsregio’s kent een belangrijk ijkpunt in 1994. Duidelijk was dat een meer verplichtende vorm van samenwerking tussen gemeenten in enkele regio’s noodzakelijk was. Daarom trad in 1994 de kaderwet ‘bestuur in verandering’ in werking. Deze tijdelijke wet is van toepassing op de samenwerkingsgebieden rond de steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Helmond, Arnhem/Nijmegen en Enschede/Hengelo: de huidige zeven stadsregio ’s. Gemeenten gingen ‘verplichtend’ in regionaal verband een aantal taken op het terrein van ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, verkeer en vervoer, economische zaken en milieu uitvoeren. Lokale en regionale belangen werden hierbij tegen elkaar afgewogen.
Het VVD Delft verkiezingsprogramma vermeld praktisch niets over formele regionale samenwerking. Politiek leeft het niet erg. (Valkenburg, 2009)
Drukte
Met de komst van de stadsregio werd het in de Randstad bestuurlijk gezien wel er druk. Het terugdringen van de bestuurlijke drukte valt echter tegen. In de periode 2002-2006 ontdekten bestuurders van de Randstad dat in Europees opzicht de Randstad op benchmarklijstjes naar beneden aan het vallen was. In 2005 riep de fameuze bestuurlijke Holland Acht in een Manifest op tot drastische modernisering van het bestuur van de Randstad. Toenmalig minister Remkes stelde de Commissie Kok (Kok, 2007) in die over deze kwestie moest adviseren. Daarna barste het gekrakeel over de super Randstad provincie los en ging het over welke provincie met welke andere provincie in een nieuw bestuur mocht. De Holland Acht is inmiddels verdwenen, het midden bestuur is gebleven en premier Balkenende verklaarde in 2009 geen trek te hebben in grote bestuurlijke reorganisaties (Bouwmans, 01-10-2009).
Urgentie
Voormalig VVD fractievoorzitter in de Provinciale Staten van Zuid-Holland, Frederik van der Dussen, ging destijds dieper in op de inhoud. Zijn analyse is nog steeds actueel. Tot een aantal jaren geleden behoorde de Randstad met zijn twee mainports bij de top van de grootstedelijke regio’s in Europa. In 1999 nam de Randstad Holland tussen twintig vergelijkbare Europese grootstedelijke regio’s nog de vijfde plaats in met de groei van de welvaart. Vier jaar later was die groei gekelderd naar een 19e plaats, de één na laatste. Een belangrijke oorzaak van die daling is volgens een groeiende groep bestuurders en politici het ontbreken van een slagvaardige bestuursstructuur. De Randstad is een onoverzichtelijke bestuurlijke lappendeken: vier provincies, vier grootstedelijke regio’s, vier grote steden en ruim honderd veertig steden en plattelandsgemeenten. Niemand heeft de bevoegdheid om zelfstandig voor de Randstad bestuurlijk belangrijke besluiten te nemen. Inmiddels weet ik dat het gebruikelijk is om eens in de tien tot vijftien jaar te proberen het midden bestuur fundamenteel te hervormen en bijvoorbeeld de provincies op te heffen. Al honderden jaren is dit tragisch tot mislukken gedoemd, het huis van Thorbecke zit kennelijk robuuster in elkaar dan sommigen denken. Het geeft dan ook blijk van groot optimisme om het nog weer eens te proberen. Het is moedig en, gezien de heersende problematiek, ook te prijzen.
Economie
Delft heeft bijvoorbeeld in deze discussie veel te verliezen en een wereld te winnen. Er liggen grote kansen. Delft is een historische stad met een universiteit. Onze stadsstrategie Delft Kennisstad met de mooie slogan “Delft creating history” kan succesvol verder ontwikkelen in een bestuurlijke omgeving waarin gezamenlijk keuzes worden gemaakt. Liggend op de as Leiden, Den Haag, Rotterdam en Dordrecht komt het aan op goede bestuurlijke afspraken over profilering en bijbehorende investeringen in bijvoorbeeld Medical Delta, Water&deltatechnologie, medische biotechnologie, witte biotechnologie en ICT. Het Stadsgewest Haaglanden is een podium, het Platform Zuidvleugel past beter. Hier wringt alleen de schaal van Delft: net te klein! Delft zit in het Platform Zuidvleugel niet zelfstandig bestuurlijk aan tafel. Het aantrekken van buitenlandse investeringen voor de kenniseconomie kan niet lokaal uitgevoerd worden.
Evaluatie WGR+
Het Stadsgewest Haaglanden is een regionaal openbaar lichaam. Het functioneert op basis van de Wijzigingswet Wgr+ (2005). Volgens deze wet is het Stadsgewest een `gemeenschappelijke regeling` en een zelfstandige rechtspersoon. Het bestuur van het Stadsgewest bestaat uit drie bestuursorganen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. Het bestuur wordt ondersteund door een aantal commissies. Het dualisme is niet van toepassing.
De samenwerking in de ‘Kaderwetgebieden’ heeft volgens Nijpels zonder twijfel meerwaarde. In de periode 2002-2006 werd een proces in gang gezet om vooral deze zeven regio’s een nieuwe sterkere wettelijke basis te geven. Met de vaststelling van de WGR+ in november 2005 in de Eerste Kamer zijn de zeven stadsregio’s, waaronder Haaglanden letterlijk en figuurlijk een feit geworden. De aanpak van regionale opgaven die de gemeenten in de stedelijke gebieden de komende jaren moeten uitvoeren, zoals de planning van nieuwe woongebieden, de verbetering van de bereikbaarheid, de aanleg van bedrijventerreinen, groengebieden, fietspaden, tram- of buslijnen, wordt in 2010 geëvalueerd (Nijpels, 2009).
De position paper ‘Delft en Haaglanden: met elkaar verbonden’ van de delegatie vorm het inhoudelijk kader, waarbinnen de Delftse delegatie opereert en de Delftse belangen waarborgt (Kiela, september 2007). In de regio Haaglanden waren voor Delft de volgende onderwerpen politiek-bestuurlijk relevant: Provinciale Structuurvisie (PSV), Technologisch Innovatief Complex Delft (TIC), MIRT-verkenning Haaglanden Groenfonds Haaglanden, Watergebonden bedrijvigheid, Overige verkeerszaken en Bestuurlijke Vernieuwing AB Haaglanden. (Kroon, 2010)
Voor mij is als liberaal verdedigbaar dat de bestuurskracht van stadsregio op de kerntaken (Haaglanden, 2004) verder versterkt kan worden waarbij de meerwaarde per kerntaak voortdurend opnieuw bewezen moet worden en anderzijds dat het dan wel bij die kerntaken moet blijven.
Het debat kan voortgezet worden.
Delft, 23 maart 2010
Bouwmans, H. (01-10-2009). Premier: 'Provincies moeten veranderen'. Binnenlands Bestuur .
Haaglanden. (2004). Het perspectief. De taken van het stadsgewest Haaglanden ook na de Kaderwet bestuur in verandering. Den Haag: Sector Algemene Zaken van het Stadsgewest Haaglanden.
Kiela, P. (september 2007). Delft en Haaglanden: Vrijheid in verbondenheid, het geheel is meer dan de som der delen. Delft: Haaglanden delegatie van de gemeenteraad van Delft.
Kok, W. (2007). Advies van de Commissie Versterking Randstad (Commissie Kok). Zoetermeer: FWA.
Kroon, G. (2010). Verslag van de Delftse delegatie in Haaglanden over de periode 2006-2010. Delft: Delftse delegatie Haaglanden.
Nijpels. (2009). De stille kracht. Over de noodzaak van stadsregio's. Den Haag: Commissie toekomst stadsregionale samenwerking van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG).
Valkenburg, W. v. (2009). Delft kan beter! Haalbaar en betaalbaar. Delft: VVD Delft.
Geplaatst op dinsdag 23 maart 2010; reacties
Pauljan Kuijper (D66 Delft) reageerde op “Provinciaal bestuur heeft bestaansrecht II” met de stelling “Meer argumenten tegen huidige provincie dan voor”.
Pauljan lichtte zijn stelling toe: “Zoals veel politici heb je veel woorden nodig om weinig te zeggen. Je geeft een aardige samenvatting van het recente publieke debat over de bestuurlijke drukte in de Randstad - met goede argumenten voor afschaffing van de provincies in hun huidige vorm - maar zegt niet duidelijk waarom je de noodkreten van de Holland Acht en de Commissie Kok niet serieus neemt. Balkenende en bestuurlijke vernieuwing zijn nooit goed samen gegaan; waarom sluit jij je daar 'vooralsnog bij aan' zonder nadere toelichting?”
Met genoegen laat ik mij door Pauljan uitdagen tot een verdere aanscherping van standpunten en argumenten. Het is een discussie die ook binnen de VVD in Zuid-Holland in volle omvang vanuit een grote betrokkenheid en met passie wordt gevoerd.
Voor zover de noodkreten van de Holland Acht en de Commissie Kok gingen over het opschalen van de vier Randstadprovincies zijn die niet opgevolgd. Ik volg de opvatting van Balkenende dat hij niet voornemens is een grote bestuurlijke reorganisatie uit te voeren.
Daarvoor voer ik drie argumenten aan.
Een historisch argument.Het provinciaal bestuur is als bestuurslaag ouder dan de rijksoverheid en heeft alleen daarom al een zeker bestaansrecht. Ik kan mij goed voorstellen dat juist dit historisch argument voor D66 niet zwaar weegt omdat zij juist bijna een halve eeuw geleden opgericht zijn om het bestel grondig te vernieuwen. Ik ben meer realist en constateer dat vele pogingen om de provincies ten grave te dragen juist vanwege historische sentimenten zijn mislukt.
Een staatkundig argument. De noodzaak tot bezuinigen vind ik geen zelfstandig argument, maar van bij komende aard. Voor zover er op de inrichting van het openbaar bestuur bezuinigd kan worden door die inrichting efficiënter en kleiner te maken zie ik dat gebeuren met een herbezinning op het Huis van Thorbecke in samenhang met de WGR+ en de waterschappen als ook met een takendiscussie. Voor zover die takendiscussie leidt tot een kleiner wordende organisatie dan past dat in de opvattingen van de VVD voor een kleinere overheid en is dat mooi meegenomen. Ik kan mij voorstellen dat D66 dit argument goed kan volgen omdat dit via een omweg alsnog kan leiden tot drastische hervormingen.
Een machtsargument.Wanneer de Randstad één provincie of landsdeel wordt, ontstaat de facto een tweedeling van Nederland. Een rijk, economisch sterk deel en een arm, economisch zwak deel. Een dichtbevolkt deel en een leeglopend deel. Het gevolg is dat de ene deel van het land nadrukkelijk de hand moet gaan ophouden bij het andere deel. Dat zou je niet moeten willen, ik kan mij ook niet voorstellen dat D66 hier voor is.
Als voorbeeld voor waar het toe kan leiden. De drie argumenten laten bijvoorbeeld ruimte voor een Gebiedsautoriteit met specifieke taken om de lokaal, regionaal en provincie overstijgende maatschappelijke problemen van de Randstad op het gebied van ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer als ook economische ontwikkeling aan te pakken. De provincies vormen de bestuurlijke dragers van die gebiedsautoriteit.
Concluderend ben ik dus voor een kerntakendiscussie voor de provincies en een herbezinning op het Huis van Thorbecke. De provincie kan na die takendiscussie bijvoorbeeld afscheid nemen van de grondwettelijk geregelde “eigen huishouding” en krijgt een afgebakende set taken, passend in een logisch bestel met de EU, het rijk en de gemeenten. In plaats van een landsdeel of provincie Randstad zie ik eerder een specifieke gebiedsautoriteit met afgebakende taken ontstaan.
Het spreekt vanzelf dat na twee inspirerend gestelde vragen van Pauljan Kuijper er nu wel een bijzonder nieuwsgierigheid ontstaat naar zijn opvattingen over het middenbestuur.
Delft, 22 maart 2010
Geplaatst op maandag 22 maart 2010; reacties
De lokale overheid heeft te maken met veranderende taken. Dat brengt keuzes met zich mee in wat je wel en niet doet als gemeente. De VVD luistert naar kritische geluiden over zichtbaarheid en toegankelijkheid van het stadsbestuur. Een aanpak kan te formeel en te bestuurlijk zijn. Regels en procedures zijn niet altijd duidelijk. Burgers en ondernemers lopen te vaak vast in de bureaucratie met alle frustraties van dien. De VVD wil een stad die bestuurd wordt vanuit de logica van de burger met duidelijke en begrijpelijke regels en procedure, waardoor burgers en bedrijven weten wat zij van die overheid mogen verwachten.(Valkenburg, 2009) Heldere taal van de VVD Delft voor de periode 2010-2014. In een reeks artikelen geef ik in de komende periode mijn visie op een mogelijke aanpak. Het spreekuur voor burgers zet ik ook in de komende periode voort.
Nadat ik mij in 2009 kandidaat stelde als volksvertegenwoordiger voor de periode 2010 – 2014 schreef ik: “Een stadsbestuurder is er voor de burgers”. Dat wordt mijn inzet als lid van de gemeentebestuur in de raadsperiode 2010-2014. De dialoog tussen mensen maakt de politiek voelbaar, hoorbaar en zichtbaar. In die dialoog worden de liberale idealen van vrijheid, verantwoordelijkheid, verdraagzaamheid, sociale rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid uitgedragen. Daarmee sta ik voor een rotsvast vertrouwen in een betere toekomst, een optimistische vertrouwen in de vooruitgang. En voor een minimale overheid en maximale zelfregulering en wordt gedreven door overtuiging en idealen, niet door macht of autoriteit. De medemens zelf staat centraal. Als persoonlijk thema staat centraal het verbeteren van de rechtszekerheid van de burger.“De burger weet onvoldoende wanneer en opgrond van welke criteria zijn aanvraag (van bijvoorbeeld een vergunning) wordt afgehandeld”, een besef dat in de raadsperiode 2006-2010 duidelijk is geworden door mijn wekelijkse spreekuur voor burgers. In de juridisch bestuurswetenschappelijke literatuur wordt deze problematiek aangeduid met de term “rechtszekerheid”.
Welke factoren bepalen of de overheid bij het nemen en tot uitvoering brengen van besluiten bijdragen aan het bereiken van doelen van het recht? Hoe kan de juridische kwaliteit van de besluitvorming door het bestuur worden behouden en waar deze ontoereikend is, worden vergroot. Een tweede gedachten lijn is hoe bij de beoordeling van de publieke dienstverlening meer gebruik kan worden gemaakt van juridische maatstaven. (Herweijer, 2005)
Uit opinieonderzoek (SCP, 2003) komt naar voren dat Nederlandse burgers ontevreden zijn over de prijs-kwaliteitverhouding van de publieke dienstverlening. Lange wachttijden, ingewikkelde formulieren, gebrekkige informatievoorziening worden gekoppeld aan hoge eigen bijdragen en nauwelijks op maat gesneden prestaties. Om aan deze ontevredenheid het hoofd te bieden staan bestuurders onder druk om met hervormingsvoorstellen te komen. Maar welke hervormingen hebben het gewenste effect?
Niet elke verandering is ook een verbetering.
De waarde van het dienende bestuur verdwijnt. Een dienend bestuur bezorgt de burger zijn recht, doet recht, informeert, vraagt door, denkt mee en helpt oplossingen zoeken. In 1989 heeft Scheltema als één van de vier centrale kenmerken van de democratische rechtstaat het beginsel van de dienende overheid genoemd (Scheltema, 1989).
Inmiddels lijkt het beginsel van de dienende burger te zijn ingevoerd, onder het motto: “lang leve de eigen verantwoordelijkheid van de burger!” In 1994 al benadrukte Scheltema de eigen verantwoordelijkheid van de burger en het bedrijf: deze zouden ook voor het publieke, het algemene belang moeten opkomen (Herweijer, 2005). Het is een te beantwoorden vraag hoe die stelling van de dienende burger zich staande houdt tegenover de logica van de burger.
Bij het ontwerp van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werden bijvoorbeeld drie vormen van inspraak geïntroduceerd (Vucsán, 1993): gericht op het versterken van het democratische gehalte van de besluitvorming, op het voorkomen van aantasting van de belangen van de individuele burger, en op het verkrijgen van de noodzakelijke gegevens over de relevante feiten en belangen. Betreft de laatste vorm wel echt inspraak of is zij alleen maar nodig voor een zorgvuldige voorbereiding. In ieder geval acht Vucsán deze vorm van inspraak in art. 4:7 / 4:8 van de Awb geslaagd geregeld, gezien de motieven van de wetgever. Op de uitzondering voor financiële beschikkingen (4:12) heeft Vucsán echter kritiek.
Bij de voorbereiding van veel beschikkingen zal, zo veronderstelde Vucsán, gebruik worden gemaakt van de openbare voorbereidingsprocedure. Of dit nu, 15 jaar later, ook daadwerkelijk zo is weet ik (nog) niet. Ik ben voornemens daar nog op terug te komen. In de openbare voorbereidingsprocedure overheerst het opkomen voor individuele belangen (preventieve rechtsbescherming). Vucsán acht inspraak gericht op de bescherming van de individuele belangen overbodig, daaraan kan immers via de bezwarenprocedure tegemoet worden gekomen.
De meeste burgers en bedrijven die in de bureaucratie in de knel raken en ten einde raad de hulp van het bestuur en de politiek zoeken slagen er kennelijk niet in die dienende rol jegens de overheid te vervullen. Soms omdat de regels ingewikkeld en niet altijd kenbaar zijn, soms door verschillen van inzicht in de problematiek of een slechte “klik” tussen aanvrager en behandelend ambtenaar.
Kritiek op wetgeving wordt zichtbaar in inspraak, inspreken bij commissievergadering, aanvragen en uitvoeren referenda en burgerinitiatief. Hierover zijn echter geen exacte cijfers bekend. Ik kom hier nog op terug.
Kritiek op besluitvorming wordt bijvoorbeeld zichtbaar in de Delftse Adviescommissie voor bezwaarschriften. In 2008 zijn 673 nieuwe bezwaarschriften ingediend. (Daarbij dient te worden opgemerkt dat Delft jaarlijkse meer dan 10.000 voor bezwaar en beroep vatbare beslissingen neemt) In 133 zaken heeft de commissie geadviseerd tot gehele of gedeeltelijke gegrond verklaring. Het aantal is feitelijk hoger omdat Kamer II bezwaarschriften, gericht tegen besluiten waarin een onjuiste motivering en/of wettelijke grondslag is vermeld, maar die op andere gronden wel in stand kunnen blijven, als ongegrond kwalificeert. In het Jaarverslag over 2008 verklaart de commissie dat zij heeft vernomen dat nadat het college van burgemeester en wethouders een beslissing op het bezwaarschrift heeft genomen in slechts 10% van de gevallen een beroepschrift bij de rechtbank wordt ingediend. (Potter, 2009)
Kritiek op houding en gedrag van de gemeente wordt zichtbaar bij de Nationale ombudsman. Navraag leidde tot het getal van tussen de 20 en 30 klachten. Exacte cijfers zijn niet bekend. (Brenninkmeijer, 2010) Ik kom hier nog op terug.
Het spreekuur voorziet vanuit het perspectief van de dienende overheid in een behoefte. Het spreekuur zal ik daarom de komende vier jaar voortzetten. De dossiers met problemen die daarbij naar voren komen worden gebruikt om de rechtszekerheid van de burger te versterken.
Delft, 22 maart 2010
Brenninkmeijer, A. (2010). Voorbij het conflict. Verslag van de Nationale ombudsman over 2009. Den Haag: Bureau Nationale ombudsman.
Herweijer, M. (2005). Alles in één keer goed. Juridische kwaliteit van bestuurlijke besluitvorming. Deventer: Kluwer.
Potter, J. (2009). Jaarverslag Adviescommissie voor bezwaarschriften 2008. Delft: Adviescommissie voor bezwaarschriften.
Scheltema, M. (1989). De rechtstaat. In E. e.a., De rechtstaat herdacht. Zwolle: Tjeenk Willink.
SCP. (2003). De sociale staat van Nederand. Rijswijk: SCP.
Valkenburg, W. v. (2009). Delft kan beter! Haalbaar en betaalbaar. Delft: VVD Delft.
Vucsán, R. (1993). Inspraak in de Algemene wet bestuursrecht. Een analyse van de inspraakmogelijkheden na de invoering van de Algemene wet bestuursrecht. In J. Boxum, L. Damen, C. Lambers, J. d. Ridder, & B. Vis, Aantrekkelijke gedachten. Beschouwingen over de Algemene wet bestuursrecht (pp. 337 -355). Deventer: Kluwer.